Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

ZW-uitkering terecht geweigerd omdat appellante geschikt wordt geacht voor haar eigen administratieve werk

Weigering ZW-uitkering toe te kennen. Appellante is terecht in staat geacht de maatgevende arbeid te kunnen vervullen. Voldoende zorgvuldig medische onderzoek.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:557Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
7 mei 2026

In het kort

  • Appellante meldde zich op 27 maart 2024 ziek met nek- en rugpijn en armklachten, terwijl zij een WW-uitkering ontving; het Uwv weigerde een ZW-uitkering.
  • De bedrijfsarts bezwaar en beroep zag geen aanleiding voor lichamelijk onderzoek in bezwaar vanwege het uitgebreide onderzoeksverslag van de primaire arts van 1
  • Omdat appellante een WW-uitkering ontving, wordt de ongeschiktheid beoordeeld aan de hand van werkzaamheden als administratief medewerker die bij een soortgelij
  • De Raad oordeelt dat appellante geen zware lasten hoeft te hanteren en taken naar eigen inzicht kan afwisselen, zodat haar belastbaarheid niet wordt overschrede
  • Het hoger beroep slaagt niet; de weigering van de ZW-uitkering per 27 maart 2024 blijft in stand en appellante ontvangt geen proceskostenvergoeding.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellante werkte als administratief medewerkster voor 40 uur per week. Haar dienstverband eindigde op 1 januari 2024. Op 27 maart 2024 meldde zij zich ziek met nek- en rugpijn en armklachten, terwijl zij op dat moment een WW-uitkering ontving. Het Uwv weigerde haar een ZW-uitkering omdat zij per die datum niet ongeschikt werd geacht voor haar laatste werk. Na bezwaar bleef die weigering in stand. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank.

Appellante voerde aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat in bezwaar geen lichamelijk onderzoek had plaatsgevonden. De Raad verwerpt dit. Aansluitend aan de hoorzitting op 5 juni 2024 vond een medisch onderzoek door de bedrijfsarts bezwaar en beroep plaats. Die arts zag geen aanleiding voor aanvullend lichamelijk onderzoek, gelet op de uitgebreide verslaglegging van het lichamelijk onderzoek door de primaire arts in diens medisch onderzoeksverslag van 19 april 2024. De Raad volgt deze toelichting.

Appellante betoogde ook dat het Uwv was uitgegaan van een onjuiste werkomschrijving: haar functie vergde structureel langdurig zitten en een hoog niveau van cognitieve inspanning, en was dus niet slechts licht administratief van aard. De Raad verwerpt dit betoog. Omdat appellante ten tijde van de ziekmelding een WW-uitkering ontving, gaat het om de ongeschiktheid voor werkzaamheden als administratief medewerker die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor die arbeid. De primaire arts stelde vast dat appellante geen zware lasten hoeft te hanteren en dat de mogelijkheid bestaat tot het naar eigen inzicht vertreden en afwisselen van taken. De Raad acht appellante daarmee in staat de maatgevende arbeid te vervullen.

De door appellante in beroep ingebrachte medische informatie werpt volgens de Raad geen nieuw licht op de zaak. De bedrijfsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 6 juni 2024, 25 november 2024 en 7 april 2025 op overtuigende wijze toegelicht dat de belastbaarheid van appellante bij het verrichten van haar eigen werk niet wordt overschreden. Het hoger beroep slaagt niet, de ZW-uitkering blijft geweigerd per 27 maart 2024, en appellante krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

De ZW-uitkering is per 27 maart 2024 geweigerd en die weigering blijft na hoger beroep in stand. Wanneer iemand ziek wordt tijdens een WW-uitkering, wordt de ongeschiktheid beoordeeld aan de hand van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever kenmerkend zijn voor de laatste functie. De Raad oordeelde dat nek- en rugpijn en armklachten in dit geval geen ongeschiktheid opleveren voor administratief werk waarbij geen zware lasten worden gehanteerd en taken naar eigen inzicht kunnen worden afgewisseld. Appellante ontvangt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.

Vragen over deze uitspraak

Waarom heeft de rechter geoordeeld dat geen lichamelijk onderzoek in bezwaar nodig was?

De bedrijfsarts bezwaar en beroep had al een medisch onderzoek verricht aansluitend aan de hoorzitting op 5 juni 2024 en zag geen aanleiding voor aanvullend lichamelijk onderzoek, omdat de primaire arts al een uitgebreid lichamelijk onderzoek had vastgelegd in zijn verslag van 19 april 2024. De Raad volgde die toelichting.

Hoe wordt de maatgevende arbeid bepaald als iemand ziek wordt tijdens een WW-uitkering?

Bij een verzekerde zonder werkgever gaat het om ongeschiktheid voor werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor die arbeid, zoals bepaald in artikel 19, vijfde lid, van de ZW. In deze zaak waren dat de werkzaamheden als administratief medewerker.

Welke fysieke eisen van de maatmanfunctie wogen mee bij de beoordeling van de belastbaarheid?

De primaire arts stelde vast dat appellante geen zware lasten hoeft te hanteren en dat de mogelijkheid bestaat tot het naar eigen inzicht vertreden en afwisselen van taken. Op grond daarvan oordeelde de Raad dat de belastbaarheid van appellante bij het verrichten van haar eigen werk niet wordt overschreden.

Heeft de door appellante ingebrachte medische informatie iets veranderd aan het oordeel?

Nee. De Raad oordeelde dat de medische informatie die appellante in beroep heeft ingebracht geen nieuw licht op de zaak werpt. De bedrijfsarts bezwaar en beroep had in zijn rapporten van 6 juni 2024, 25 november 2024 en 7 april 2025 overtuigend toegelicht dat de belastbaarheid niet werd overschreden.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket