Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

Geen benadelingshandeling in de ZW omdat de arbeidsongeschiktheid pas na het einde van het dienstverband is ingetreden

Verlaging ZW-uitkering met 50% onterecht. Geen sprake van benadelingsbehandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:572Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
13 mei 2026

In het kort

  • Appellante werd op 2 juli 2022 op staande voet ontslagen; haar arbeidsongeschiktheid trad pas op 4 juli 2022 in, dus ná het einde van het dienstverband.
  • Van een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW is geen sprake omdat het ongeschiktheidsrisico nog niet was inge
  • De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2025 en verklaart het beroep van de werkgever tegen het besluit van
  • Het Uwv-besluit van 4 april 2025, waarbij een maatregel van 50% verlaging van de ZW-uitkering was opgelegd, wordt vernietigd.
  • Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 2.335,- en moet het griffierecht van € 143,- vergoeden.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellante werkte als ambulant gezinsondersteuner en meldde zich op 18 mei 2022 ziek bij haar werkgever wegens burn-outklachten. De werkgever accepteerde die ziekmelding niet en ontsloeg appellante op 2 juli 2022 op staande voet. Op 4 juli 2022 meldde appellante zich bij het Uwv ziek. Het Uwv kende haar per 6 juli 2022 een ZW-uitkering toe. De werkgever maakte bezwaar tegen dat besluit.

Appellante had bij de kantonrechter gevraagd het ontslag te vernietigen, dan wel haar een billijke vergoeding en andere vergoedingen toe te kennen. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was gegeven omdat de werkgever niet onverwijld tot ontslag was overgegaan, maar vond wel een redelijke grond voor ontslag aanwezig en kwalificeerde het gedrag van appellante als ernstig verwijtbaar. Ter zitting gaf appellante aan geen herstel van het dienstverband meer te willen. De kantonrechter kende haar uitsluitend de vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van de werkgever gegrond en oordeelde dat appellante een benadelingshandeling had gepleegd door ter zitting bij de kantonrechter af te zien van verder verweer. De rechtbank droeg het Uwv op een maatregel op te leggen. Het Uwv deed dat bij besluit van 4 april 2025 en stelde de maatregel vast op een verlaging van 50% van de ZW-uitkering.

De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Raad stelt vast dat het dienstverband eindigde per 2 juli 2022 en dat de arbeidsongeschiktheid van appellante pas op 4 juli 2022 is ingetreden, dus na het einde van het dienstverband. Volgens vaste rechtspraak ziet de benadelingshandeling van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW in het bijzonder op situaties waarin de werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het ongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Daarvan is in het geval van appellante geen sprake, zodat de grondslag voor een maatregel ontbreekt. Het beroep van de werkgever tegen het besluit van 10 november 2023 wordt alsnog ongegrond verklaard en het besluit van 4 april 2025 wordt vernietigd.

Wat betekent deze uitspraak voor de werkgever?

De werkgever die bezwaar had gemaakt tegen de ZW-toekenning en in beroep en hoger beroep het standpunt verdedigde dat sprake was van een benadelingshandeling, krijgt ongelijk. Het beroep van de werkgever tegen het besluit van 10 november 2023 wordt alsnog ongegrond verklaard, zodat de ZW-uitkering aan appellante gehandhaafd blijft en aan de werkgever wordt toegerekend over de periode 6 juli 2022 tot en met 8 juni 2023.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

Appellante behoudt haar ZW-uitkering onverkort: de maatregel van 50% verlaging die het Uwv bij besluit van 4 april 2025 had opgelegd, wordt vernietigd. Omdat het dienstverband eindigde op 2 juli 2022 en de arbeidsongeschiktheid pas op 4 juli 2022 intrad, was er geen benadelingshandeling en was er geen grond voor een maatregel. Het Uwv vergoedt haar proceskosten in hoger beroep van € 2.335,- en het griffierecht van € 143,-.

Vragen over deze uitspraak

Wanneer is er sprake van een benadelingshandeling in de ZW?

Er is sprake van een benadelingshandeling als de werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het ongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Treedt de arbeidsongeschiktheid pas in nádat het dienstverband is geëindigd, dan ontbreekt die situatie en is geen maatregel mogelijk.

Maakt het uit of de kantonrechter het gedrag van de werknemer ernstig verwijtbaar vindt?

Dat maakt voor de benadelingshandeling in de ZW geen verschil. De Raad baseert zijn oordeel uitsluitend op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden ten opzichte van het einde van het dienstverband, niet op de verwijtbaarheid van het gedrag dat tot het ontslag leidde.

Kan het Uwv een ZW-maatregel met terugwerkende kracht opleggen?

In deze zaak hoefde de Raad die vraag niet te beantwoorden, omdat al geen sprake was van een benadelingshandeling. De Raad laat zich dus niet uit over de toelaatbaarheid van terugwerkende kracht bij een maatregel.

Heeft de werknemer recht op een integrale proceskostenvergoeding als het Uwv ten onrechte een maatregel oplegt?

Nee, niet automatisch. De Raad kent een forfaitaire vergoeding toe op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Een integrale vergoeding vereist bijzondere omstandigheden, zoals ernstig onzorgvuldig handelen of een hardnekkige houding van het Uwv; het gegeven dat een besluit ten onrechte is genomen levert op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket