Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

Maatregel wegens benadelingshandeling ZW terecht opgelegd per 8 oktober 2021 na ontslag op staande voet, ingangsdatum bevestigd door Centrale Raad van Beroep

Weigering uitbetaling ZW-uitkering. Ontslag wegens vertrouwensbreuk. Benadelingsbehandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:549Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
7 mei 2026

In het kort

  • Appellant werd op 8 oktober 2021 op staande voet ontslagen door [naam B.V.], terwijl hij al sinds 13 juli 2021 ziek was gemeld.
  • Het Uwv weigerde het ziekengeld per 8 oktober 2021 geheel en blijvend wegens een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, v
  • Door niet de nietigheid van het ontslag in te roepen en te kiezen voor schadevergoeding in plaats van herstel, heeft appellant zijn recht op loon prijsgegeven t
  • De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat 8 oktober 2021 de juiste ingangsdatum voor de maatregel is; het argument dat de maatregel pas per 14 maart 2022 kon in
  • Het Uwv moet alsnog een nieuw besluit op bezwaar nemen over de mate van verwijtbaarheid en de afstemming van de maatregel.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellant was werkzaam als technisch specialist voor 27 uur per week bij [naam B.V.] en meldde zich op 13 juli 2021 ziek. Op 8 oktober 2021 werd hij op staande voet ontslagen wegens een vertrouwensbreuk. In de civielrechtelijke procedures die volgden heeft appellant berust in het ontslag en schadevergoeding gevorderd in plaats van herstel van de dienstbetrekking. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelde bij beschikking van 20 april 2023 dat er geen dringende reden voor ontslag op staande voet was en kende een bescheiden billijke vergoeding toe.

Het Uwv legde per 8 oktober 2021 een maatregel op en weigerde het ziekengeld geheel en blijvend, omdat appellant zonder deugdelijke grond had nagelaten verweer te voeren tegen de beëindiging van zijn dienstbetrekking in de periode dat hij recht had op loon tijdens ziekte. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep gegrond, niet omdat de benadelingshandeling ontbrak, maar omdat het Uwv de maatregel onvoldoende had afgestemd op de ernst en de mate van verwijtbaarheid. Het Uwv werd opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Die opdracht stond in hoger beroep niet ter discussie.

In hoger beroep bestreed appellant uitsluitend de ingangsdatum van de maatregel. Hij stelde dat de maatregel pas per 14 maart 2022, de datum van de beschikking van de kantonrechter, kon ingaan, omdat hij zich pas op die zitting had neergelegd bij het ontslag. De Centrale Raad van Beroep volgt dit betoog niet. Door niet de nietigheid van het ontslag op staande voet in te roepen, heeft appellant uiteindelijk berust in het ontslag en zijn recht op loon prijsgegeven op een moment waarop het arbeidsongeschiktheidsrisico al was ingetreden. Dat was op 8 oktober 2021 het geval, omdat appellant al vanaf 13 juli 2021 ziek was.

De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak. Het Uwv moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen over de mate van verwijtbaarheid en de afstemming van de maatregel. Aan de argumenten van appellant over de verwijtbaarheid zelf komt de Raad niet toe, omdat het Uwv ter zitting heeft bevestigd dat er nog geen nieuw besluit op bezwaar was genomen. Beroep tegen dat nieuwe besluit kan uitsluitend bij de Centrale Raad van Beroep worden ingesteld.

Wat betekent deze uitspraak voor de werkgever?

Als eigenrisicodrager voor de ZW heeft [naam B.V.] het verzoek aan het Uwv gedaan om een maatregel op te leggen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ingangsdatum van de maatregel 8 oktober 2021 is, de dag van het ontslag op staande voet. Het Uwv moet echter nog een nieuw besluit op bezwaar nemen over de mate van verwijtbaarheid en de afstemming van de maatregel, waarbij de onjuiste en onheuse behandeling van appellant door [naam B.V.] een rol kan spelen.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant een benadelingshandeling heeft gepleegd door niet de nietigheid van zijn ontslag in te roepen, en dat de maatregel terecht per 8 oktober 2021 is ingegaan. Het Uwv moet wel opnieuw beslissen over de vraag in welke mate het appellant te verwijten valt dat hij niet om herstel van de dienstbetrekking heeft gevorderd, waarbij de omstandigheden van de zaak volledig moeten worden meegewogen. Beroep tegen dat nieuwe besluit kan uitsluitend bij de Centrale Raad van Beroep worden ingesteld.

Vragen over deze uitspraak

Wanneer begint de maatregel wegens een benadelingshandeling te lopen als iemand pas later in een procedure berust in zijn ontslag?

De maatregel loopt vanaf de datum van het ontslag zelf, niet vanaf de datum waarop de werknemer in een procedure verklaart te berusten. Door niet de nietigheid van het ontslag in te roepen, heeft appellant zijn recht op loon prijsgegeven met ingang van 8 oktober 2021, de dag van het ontslag op staande voet.

Is berusten in een ontslag op staande voet altijd een benadelingshandeling in de zin van de ZW?

Berusten in een ontslag terwijl het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden levert volgens de Raad een benadelingshandeling op in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Of de werknemer daarvoor ook in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt, is een afzonderlijke vraag die het Uwv moet afwegen bij het afstemmen van de maatregel.

Wat moet het Uwv nu nog doen in deze zaak?

Het Uwv moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen, waarbij het alsnog alle relevante feiten en omstandigheden betrekt en afweegt in het kader van de mate van verwijtbaarheid en de afstemming van de maatregel. Beroep tegen dat nieuwe besluit kan alleen bij de Centrale Raad van Beroep worden ingesteld.

Telt het mee dat de werkgever de werknemer onjuist heeft behandeld en geen verzuimbegeleiding heeft geboden?

De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de beschikking van het hof blijkt dat [naam B.V.] appellant onjuist en onheus heeft behandeld, en heeft dit meegewogen bij het oordeel dat het appellant niet in overwegende mate kan worden verweten dat hij geen herstel van de dienstbetrekking heeft gevorderd. De Raad heeft zich in hoger beroep niet opnieuw over de verwijtbaarheid uitgelaten, omdat het Uwv nog geen nieuw besluit op bezwaar had

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket