Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

Beëindiging ZW-uitkering na eerstejaars beoordeling terecht, ondanks aangevoerde extra beperkingen en verzoek om urenbeperking

Beëindiging ZW-uitkering. Appellante is terecht in staat geacht meer dan 65% te kunnen verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:734Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
27 mei 2026

In het kort

  • De ZW-uitkering van appellante, werkzaam geweest als grondstewardess voor 25,52 uur per week, werd per 8 september 2020 beëindigd omdat zij meer dan 65% van haa
  • WPEX-psychiater Peterse concludeerde dat het klachtenbeeld volledig verklaard wordt door een ernstige somatische-symptoomstoornis; de neuroloog stelde geen stoo
  • De FML van 6 november 2023 bevat zware fysieke beperkingen waaronder rolstoelgebruik buitenshuis en krukgebruik binnenshuis; een urenbeperking achtte de Raad ni
  • De redelijke termijn is met een jaar en ruim tien maanden overschreden in de rechterlijke fase; de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van € 2.000,
  • De proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn worden begroot op € 467,-.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Het Uwv beëindigde de ZW-uitkering van appellante per 8 september 2020 na een eerstejaars ZW-beoordeling. Appellante had zich op 9 augustus 2019 ziekgemeld met klachten aan haar onderbenen en werkte daarvoor als grondstewardess voor gemiddeld 25,52 uur per week. In geschil was of het Uwv de beperkingen juist had vastgesteld, of een urenbeperking had moeten worden aangenomen en of de geselecteerde functies passend waren.

Na een eerdere vernietiging door de rechtbank Rotterdam in februari 2022, wegens het ontbreken van fysiek spreekuurcontact, liet het Uwv een gecombineerde neurologische en psychiatrische expertise uitvoeren bij WPEX. Psychiater Peterse concludeerde dat het klachtenbeeld volledig verklaard kon worden door een ernstige somatische-symptoomstoornis. De neuroloog stelde geen stoornis op neurologisch gebied vast. Op basis van dit expertise-rapport stelde de verzekeringsarts bezwaar en beroep een nieuwe FML op met beduidend zwaardere fysieke beperkingen, waarbij rekening werd gehouden met het gebruik van een rolstoel buitenshuis en krukken binnenshuis. In beroep werd nog een aanvullende beperking voor vervoer aangenomen, wat leidde tot de FML van 6 november 2023.

Appellante stelde dat de bevindingen van WPEX niet juist waren vertaald in de FML, dat psychische beperkingen ten onrechte niet waren aangenomen, dat buitenlandse onderzoeken en een rapport van psychiater Van der Veer hadden moeten meewegen, en dat een urenbeperking geïndiceerd was. De Raad volgt deze standpunten niet.

Over de psychische beperkingen oordeelt de Raad dat psychiater Peterse inzichtelijk en deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de diagnoses van psychiater Van der Veer niet aan de orde zijn, dat appellante rond de datum in geding niet voor psychische klachten werd behandeld, en dat ook de behandelend psychologen van Altrecht Psychosomatiek Eikenboom geen ernstige psychische problematiek benoemen.

Over de urenbeperking oordeelt de Raad dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend heeft toegelicht dat de ruime beperkingen voor beengebruik in de FML, waaronder het gebruik van een rolstoel, voldoende voorzien in het voorkomen van pijnklachten en energetische belemmeringen, zodat een aanvullende urenbeperking niet is geïndiceerd.

De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en laat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand. Omdat de procedure in totaal vijf jaar en ruim tien maanden heeft geduurd, wordt de Staat veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 2.000 euro wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

De beëindiging van de ZW-uitkering per 8 september 2020 blijft in stand, ook na hernieuwd onderzoek door WPEX en meerdere aangepaste FML-versies. De Raad volgt de conclusies van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep dat de FML van 6 november 2023 de beperkingen op de datum in geding voldoende weergeeft en dat de geselecteerde functies passend zijn. Wil een werknemer de medische beoordeling met succes aanvechten, dan moet dat onderbouwd worden met medische stukken die betrekking hebben op de datum in geding; informatie over de periode daarna volstaat niet.

Vragen over deze uitspraak

Waarom werd geen urenbeperking aangenomen terwijl appellante voortdurende pijnklachten had?

De verzekeringsarts bezwaar en beroep achtte een urenbeperking niet geïndiceerd omdat de ruime beperkingen voor beengebruik in de FML, waaronder het gebruik van een rolstoel, al voldoende voorzien in het voorkomen van pijnklachten en energetische belemmeringen. Pijn kan volgens de arts wel reden zijn voor een urenbeperking, maar alleen als met de overige beperkingen hieraan onvoldoende wordt toegekomen, en dat was hier niet het geval.

Waarom werden de psychische beperkingen uit het rapport van psychiater Van der Veer niet overgenomen?

WPEX-psychiater Peterse heeft na kennis te hebben genomen van het rapport van Van der Veer uitgebreid gemotiveerd dat het klachtenbeeld volledig verklaard wordt door een somatische-symptoomstoornis en dat de door Van der Veer gestelde diagnoses niet aan de orde zijn. Daarbij woog mee dat appellante rond de datum in geding niet voor psychische klachten werd behandeld en dat ook de behandelend psychologen van Altrecht geen ernstige psychische problematiek benoemden.

Hoe hoog is de schadevergoeding wegens te lange doorlooptijd en wie betaalt die?

De Staat der Nederlanden wordt veroordeeld tot betaling van € 2.000,- aan appellante. De redelijke termijn van vier jaar voor een procedure in drie instanties is met een jaar en ruim tien maanden overschreden, uitsluitend in de rechterlijke fase.

Waarom wees de Raad het verzoek om een onafhankelijke deskundige af?

De Raad wees het verzoek af omdat de noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv ontbreekt. Appellante had in hoger beroep geen nieuwe medische stukken ingediend die aanleiding gaven tot twijfel aan de conclusies van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket