Centrale Raad van Beroep
ZW-uitkering terecht beëindigd na ontvankelijk verklaard bezwaar, maar beroep tegen inhoudelijk besluit slaagt niet
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 3 juli 2021 heeft beëindigd.
- ECLI-nummer
- ECLI:NL:CRVB:2025:1774Lees de uitspraak
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Uitspraakdatum
- 3 december 2025
In het kort
- Het Uwv beëindigde de ZW-uitkering van appellante per 3 juli 2021 omdat zij meer dan 65% kon verdienen van haar loon als orderpicker.
- Het Uwv verklaarde het bezwaar aanvankelijk niet-ontvankelijk omdat appellante de bezwaargronden pas op 22 september 2021 indiende, één dag na de gestelde deadl
- Op 18 november 2024 nam het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar: het bezwaar werd alsnog ontvankelijk verklaard maar inhoudelijk ongegrond, omdat appellante mi
- De Raad verklaarde het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2021 gegrond en vernietigde dat besluit, maar verklaarde het beroep tegen het besluit van 18 novem
- Het Uwv wordt veroordeeld in proceskosten van € 1.814,- en dient het griffierecht van € 185,- te vergoeden.
Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?
Appellante werkte als orderpicker voor 40 uur per week en meldde zich op 3 juni 2020 ziek met lichamelijke klachten. Het Uwv kende haar een ZW-uitkering toe. Na een Eerstejaars ZW-beoordeling, waarbij een verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst opstelde en een arbeidsdeskundige functies selecteerde, beëindigde het Uwv de uitkering per 3 juli 2021 omdat appellante meer dan 65% kon verdienen van haar vroegere loon.
Appellante maakte bezwaar maar voerde geen gronden aan. Het Uwv stelde haar in de gelegenheid dat verzuim te herstellen, met een deadline van 21 september 2021. Appellante diende de gronden pas op 22 september 2021 in, waarna het Uwv het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep betoogde appellante dat de brief van 24 augustus 2021 niet op die dag was verzonden en de hersteltermijn dus later was ingegaan, zodat haar gronden tijdig waren. In de loop van de hoger beroepsprocedure nam het Uwv op 18 november 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar: het bezwaar werd alsnog ontvankelijk verklaard en inhoudelijk ongegrond, omdat appellante per 3 juli 2021 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De Raad oordeelt dat met dit nieuwe besluit het eerdere niet-ontvankelijkheidsbesluit van 6 oktober 2021 is gewijzigd. Daarom vernietigt de Raad de aangevallen uitspraak en het besluit van 6 oktober 2021. Het nieuwe besluit van 18 november 2024 wordt in de procedure betrokken. Omdat appellante in het geheel niet reageerde op het rapport van 19 juni 2024 van de verzekeringsarts en het rapport van 1 juli 2024 van de arbeidsdeskundige, en de beoordeling niet heeft bestreden, ziet de Raad geen aanleiding die rapporten en het daarop gebaseerde besluit voor onjuist te houden. Het beroep tegen het besluit van 18 november 2024 is ongegrond: de weigering van de ZW-uitkering per 3 juli 2021 blijft in stand.
Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van 1.814 euro en dient het griffierecht van 185 euro te vergoeden.
Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?
De ZW-uitkering van appellante is per 3 juli 2021 beëindigd en die beëindiging blijft in stand. Hoewel het eerdere niet-ontvankelijkheidsbesluit is vernietigd en het Uwv het bezwaar alsnog inhoudelijk heeft beoordeeld, heeft de Raad het beroep tegen het inhoudelijke besluit ongegrond verklaard omdat appellante de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling niet heeft bestreden. Het Uwv vergoedt wel de proceskosten van € 1.814,- en het griffierecht van € 185,-.
Vragen over deze uitspraak
Waarom werd de ZW-uitkering per 3 juli 2021 beëindigd?
Het Uwv stelde vast dat appellante meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Een verzekeringsarts stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst op en een arbeidsdeskundige selecteerde functies op basis waarvan dit werd vastgesteld.
Waarom werd het bezwaar eerst niet-ontvankelijk verklaard?
Appellante diende haar bezwaarschrift in zonder gronden en herstelde dit verzuim niet tijdig. Het Uwv had haar tot 21 september 2021 de tijd gegeven, maar appellante stuurde de gronden pas op 22 september 2021.
Wat veranderde er toen het Uwv op 18 november 2024 een nieuw besluit nam?
Het Uwv verklaarde het bezwaar alsnog ontvankelijk en beoordeelde het inhoudelijk, maar verklaarde het bezwaar ongegrond omdat appellante per 3 juli 2021 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De beëindiging van de ZW-uitkering bleef daarmee in stand.
Waarom slaagde het beroep tegen het inhoudelijke besluit van 18 november 2024 niet?
Appellante reageerde in het geheel niet op het rapport van 19 juni 2024 van de verzekeringsarts en het rapport van 1 juli 2024 van de arbeidsdeskundige, en bestreed de beoordeling niet. De Raad zag daarin geen aanleiding de rapporten en het daarop gebaseerde besluit voor onjuist te houden.
Verwante uitspraken
- ZW-uitkering terecht beëindigd ondanks periodieke explosieve stoornis: beperkingen in FML voldoende6 augustus 2025
- ZW-uitkering terecht beëindigd per 17 februari 2023: appellant geschikt bevonden voor eigen werk als stockmedewerker1 juli 2026
- ZW-uitkering terecht geweigerd omdat de medische beperkingen niet waren toegenomen ten opzichte van de WIA-beoordeling10 juni 2026


