Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

ZW-uitkering terecht beëindigd per 30 juni 2018 ondanks clusterhoofdpijn, omdat FML juist is vastgesteld en excessief ziekteverzuim niet plausibel is

Beëindiging ZW-uitkering omdat appellant meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:320Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
18 maart 2026

In het kort

  • Het Uwv beëindigde de ZW-uitkering van appellant per 30 juni 2018 omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen.
  • Neuroloog Ter Bruggen stelde meer beperkingen vast dan de FML van 9 januari 2019 bevat, maar kon vanuit zijn vakgebied geen harde conclusies trekken over de duu
  • Verzekeringsarts Vervoort concludeerde op 1 april 2025 dat gedragsmatige vermijding van prikkels een coping strategie is en niet leidt tot aanvullende beperking
  • Structureel hoog ziekteverzuim achtte Vervoort niet plausibel: de huisarts noteerde in april 2018 'soms clusterhoofdpijn' en de anesthesioloog-pijnspecialist me
  • De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2021 en oordeelde dat de FML van 9 januari 2019 juist is en de geselecteerde functies ge

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellant, werkzaam als taxichauffeur ouderenvervoer voor 38 uur per week, meldde zich op 30 mei 2017 ziek vanwege een longabces. Daarnaast had hij sinds zijn kinderjaren hoofdpijnklachten, waaronder clusterhoofdpijn, migraine en spanningshoofdpijn. Het Uwv beëindigde zijn ZW-uitkering per 30 juni 2018, omdat hij met de geselecteerde functies meer dan 65% van zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen. In hoger beroep betwistte appellant de vastgestelde beperkingen in de FML en het oordeel over het te verwachten ziekteverzuim.

De Raad raadpleegde twee deskundigen. Neuroloog Ter Bruggen stelde op de datum in geding een combinatie van chronische spierspanningshoofdpijn, episodische migraine en vermoedelijk episodische clusterhoofdpijn vast. Hij zag meer beperkingen dan de FML bevatte, onder andere op het gebied van aandacht, urenbeperking en ziekteverzuim, maar kon vanuit zijn vakgebied geen harde conclusies trekken over de duurbelastbaarheid en het te verwachten ziekteverzuim.

Verzekeringsarts Vervoort, ingeschakeld als tweede deskundige, verenigde zich met de beperkingen in de FML van 9 januari 2019. Zij oordeelde dat de gedragsmatige vermijding van prikkels een coping strategie is en geen directe uiting van de onderliggende stoornis, zodat dit niet tot aanvullende beperkingen in de FML leidt. De door Ter Bruggen gesignaleerde problemen met aandacht en concentratie zijn volgens Vervoort niet onderbouwd conform de CBBS-criteria; appellant was in staat een zelfstandig gesprek te voeren en nam deel aan het verkeer, wat beperkingen op dit gebied grotendeels uitsluit. Voor een urenbeperking ontbrak een medische grond, mede omdat het arbeidsverleden geen structureel disfunctioneren toonde en de slaapproblematiek niet dermate ernstig was. Het te verwachten ziekteverzuim boven 25% achtte zij niet plausibel, omdat de huisarts in april 2018 noteerde dat appellant 'soms clusterhoofdpijn' had en de anesthesioloog-pijnspecialist in juli 2018 sprak van incidentele gevallen.

De Raad volgde de conclusies van Vervoort. De FML van 9 januari 2019 werd voor juist gehouden en de geselecteerde functies werden geschikt geacht. Het hoger beroep slaagde niet en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2021 werd bevestigd. Appellant ontving geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

De ZW-uitkering is per 30 juni 2018 definitief beëindigd: de Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en oordeelde dat de FML van 9 januari 2019 juist is vastgesteld. De door het Uwv geselecteerde functies zijn voor appellant geschikt bevonden. Appellant ontvangt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.

Vragen over deze uitspraak

Waarom volgde de Raad de neuroloog niet volledig?

De Raad onderschreef de diagnose van neuroloog Ter Bruggen, maar niet zijn conclusies over cognitieve beperkingen en duurbelastbaarheid. Ter Bruggens bevindingen over aandacht en concentratie waren niet onderbouwd conform de CBBS-criteria, en vanuit zijn eigen vakgebied kon hij geen harde conclusies trekken over de urenbeperking en het te verwachten ziekteverzuim.

Wat telde mee bij het oordeel dat excessief ziekteverzuim niet plausibel was?

Doorslaggevend waren de aantekening van de huisarts van 10 april 2018 dat appellant 'soms clusterhoofdpijn' had en de brief van anesthesioloog-pijnspecialist Bikker van 9 juli 2018 over incidentele gevallen. Daarbij wees Vervoort erop dat appellant ondanks chronische hoofdpijnklachten geruime tijd als taxichauffeur had kunnen werken en dat er rondom de datum in geding geen intensivering van artsenbezoeken of wijzigingen in medicatie waren.

Waarom leidde gedragsmatige vermijding van prikkels niet tot extra beperkingen in de FML?

Vervoort oordeelde dat gedragsmatige vermijding een coping strategie is en geen directe uiting van de onderliggende stoornis, zodat het op zichzelf niet tot beperkingen in de FML leidt. De Raad volgde dit oordeel.

Kreeg appellant zijn proceskosten vergoed?

Nee, omdat het hoger beroep niet slaagde, ontving appellant geen vergoeding voor proceskosten en het betaalde griffierecht.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket