Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

ZW-uitkering terecht beëindigd per 11 maart 2021 omdat appellant geschikt was voor zijn eigen werk als servicemonteur

Beëindiging ZW-uitkering per 11 maart 2021. Verzekeringsarts heeft inzichtelijk gemotiveerd dat op basis van beschikbare medische informatie appellant volledig…

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:516Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
29 april 2026

In het kort

  • Het Uwv beëindigde de ZW-uitkering van appellant per 11 maart 2021; een verzekeringsarts concludeerde in een rapport van 30 mei 2024 dat appellant op die datum
  • Rugklachten door stress waren aanwezig maar de verzekeringsarts achtte het werk als servicemonteur passend: fysiek niet zwaar, mentaal niet uitdagend, en slecht
  • Eczeemklachten waren pas aannemelijk aanwezig vanaf 19 april 2021, meer dan een maand na de datum in geding, zodat zij de beoordeling per 11 maart 2021 niet beï
  • De in hoger beroep overgelegde medische informatie wierp geen nieuw licht op de situatie: het was al bekend of dateerde van ruim na 11 maart 2021.
  • Het hoger beroep tegen de weigering per 14 juli 2021 werd niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Het geschil betreft de beëindiging van de ZW-uitkering van appellant, een voormalig servicemonteur koffiemachines die twintig uur per week werkte. Het Uwv beëindigde de uitkering per 11 maart 2021, aanvankelijk omdat niet kon worden vastgesteld of appellant arbeidsongeschikt was. Na een medisch onderzoek in april 2024 concludeerde een verzekeringsarts dat appellant per 11 maart 2021 geschikt was voor zijn eigen werk. Het Uwv legde deze grond vast in een nieuw besluit van 19 november 2024 (bestreden besluit 2), dat de Raad in de procedure betrok.

Appellant voerde aan dat hij op 11 maart 2021 door medische beperkingen niet in staat was zijn eigen werk te verrichten. Ter onderbouwing legde hij een grote hoeveelheid medische informatie over, waaronder brieven van de dermatoloog, fysiotherapeut en afspraakbevestigingen van het ziekenhuis.

De Raad volgt het standpunt van appellant niet. De verzekeringsarts heeft in het rapport van 30 mei 2024 inzichtelijk gemotiveerd dat op basis van de beschikbare medische informatie niet kan worden gesteld dat appellant op 11 maart 2021 volledig arbeidsongeschikt was. Er was sprake van rugklachten door stress waarvoor appellant fysiotherapie had gevolgd en die hij met goede resultaten had afgerond. Het maatgevende werk als servicemonteur werd door de verzekeringsarts passend geacht: fysiek niet zwaar belastend, mentaal niet uitdagend, en slechts twintig uur per week, zodat er voldoende ruimte was voor recuperatie.

De eczeemklachten die appellant later ontwikkelde, waren pas aannemelijk aanwezig vanaf 19 april 2021, aldus de informatie van de huisarts, meer dan een maand na de datum in geding. De in hoger beroep overgelegde medische informatie leidde niet tot een ander oordeel: een deel was al eerder door de huisarts verstrekt en dus bij de verzekeringsarts bekend, en het nieuwe deel dateerde van ruim na 11 maart 2021 en was daarom niet relevant voor de medische situatie op die datum.

Over de weigering per 14 juli 2021 op grond van artikel 45j ZW oordeelde de Raad dat appellant geen procesbelang meer had: een oordeel daarover kon er niet toe leiden dat alsnog recht op ZW-uitkering per die datum zou ontstaan, omdat appellant in de tussenliggende periode niet doorlopend arbeidsongeschikt was geweest. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

De Raad oordeelde dat appellant per 11 maart 2021 geen recht heeft op een ZW-uitkering, omdat hij op die datum geschikt was voor zijn eigen werk als servicemonteur koffiemachines. Medische klachten die pas later zijn ontstaan of medische informatie die dateert van ruim na de beoordelingsdatum wegen niet mee bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid op die eerdere datum. De al ontvangen voorschotten worden niet teruggevorderd.

Vragen over deze uitspraak

Waarom mocht het Uwv de ZW-uitkering per 11 maart 2021 beëindigen?

De verzekeringsarts concludeerde dat appellant op 11 maart 2021 geschikt was voor zijn eigen werk als servicemonteur. Het werk was fysiek niet zwaar belastend, mentaal niet uitdagend en betrof slechts twintig uur per week, zodat er voldoende ruimte was voor recuperatie. De rugklachten door stress waren afgerond met goede resultaten.

Tellen medische stukken die van na de beoordelingsdatum dateren mee?

Nee, de Raad oordeelde dat informatie die dateert van ruim na de datum in geding niet relevant is voor de medische situatie op die datum. Voor informatie die al eerder was opgevraagd en bij de verzekeringsarts bekend was, geldt bovendien dat die al bij de beoordeling was betrokken.

Wat gebeurt er met de voorschotten die al aan appellant waren uitbetaald?

Het Uwv vordert de al betaalde voorschotten niet terug. Dit is zowel door de rechtbank als in de procesgang vastgesteld en niet ter discussie gesteld in hoger beroep.

Waarom heeft de Raad zich niet inhoudelijk uitgelaten over de weigering per 14 juli 2021?

Appellant had geen procesbelang meer bij een oordeel over de weigering per 14 juli 2021. Een oordeel daarover kon er niet toe leiden dat hij alsnog per die datum recht op ZW-uitkering zou krijgen, omdat hij in de periode tussen 11 maart 2021 en 14 juli 2021 niet doorlopend arbeidsongeschikt was geweest.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket