Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering per 18 februari 2023

Beëindiging ZW-uitkering van werkneemster per 18 februari 2023 omdat ze meer dan 65% kan verdienen van het loon voordat ze ziek werd.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:641Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
13 mei 2026

In het kort

  • De ZW-uitkering van werkneemster is beëindigd per 18 februari 2023, omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.
  • De Raad neemt geen extra beperking aan op FML-punt 2.7 (eigen gevoelens uiten): de houding van werkneemster is geen ziekte of gebrek.
  • De functie productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) is passend; werkneemster vermeldde zelf op haar CV en WIA-aanvraag dat zij Engels beheerst.
  • Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten van werkgeefster in hoger beroep tot een bedrag van € 934,- en vergoedt het griffierecht van € 559,-.
  • De Raad verwijst voor de functie-eisen naar de uitspraak van 16 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1969, over de interne opleiding in deze SBC-code.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Werkneemster werkte als pedagogisch medewerker voor gemiddeld 23,91 uur per week en meldde zich op 22 maart 2021 ziek met psychische klachten. Werkgeefster is eigen risicodrager voor de ZW. Na een eerstejaars ZW-beoordeling ontving werkneemster een ZW-uitkering, maar na bezwaar van werkgeefster beëindigde het Uwv de uitkering per 18 februari 2023, omdat werkneemster meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. De rechtbank Amsterdam vernietigde dit besluit en droeg het Uwv op een nieuw besluit te nemen. Zowel het Uwv als werkgeefster stelden hoger beroep in.

De Raad behandelde twee inhoudelijke twistpunten: de vraag of een beperking moest worden aangenomen op FML-punt 2.7 (eigen gevoelens uiten), en de vraag of de functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) passend was voor werkneemster.

Ten aanzien van punt 2.7 oordeelde de Raad dat de motivering van de arts bezwaar en beroep om geen beperking aan te nemen zorgvuldig, inzichtelijk en overtuigend is. Uit meerdere rapporten bleek dat werkneemster bij eerdere contacten met de primaire arts adequaat antwoord heeft gegeven en haar gevoelens heeft kunnen beschrijven. Het door psychiater Van der Veer beschreven beeld van afwachtende, passieve en weinig gemotiveerde houding betreft houding, gedrag en attitude, wat niet als ziekte of gebrek kan worden aangemerkt. Ongecontroleerde gevoelsuitingen of blokkering moeten terug te voeren zijn op een stoornis of gebrek; bij werkneemster is dat niet gebleken.

Ten aanzien van de Engelse taalvaardigheid voor de functie productiemedewerker industrie oordeelde de Raad dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende heeft toegelicht dat een matige beheersing van de Engelse taal voldoende is voor deze functie. Werkneemster had op haar CV van 2022 en op een WIA-aanvraagformulier van 4 januari 2023 vermeld de Engelse taal te beheersen. Dat zij die beheersing volledig is kwijtgeraakt, heeft zij op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. De bewijslast daarvoor ligt bij werkneemster zelf.

De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak, verklaarde het beroep van werkneemster ongegrond en liet de beëindiging van de ZW-uitkering per 18 februari 2023 in stand. Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten van werkgeefster van € 934,- en dient het griffierecht van € 559,- te vergoeden.

Wat betekent deze uitspraak voor de werkgever?

De Raad bevestigt dat werkgeefster als eigen risicodrager terecht bezwaar heeft gemaakt tegen de voortgezette ZW-uitkering en dat de beëindiging per 18 februari 2023 in stand blijft. De proceskosten van werkgeefster in hoger beroep worden vergoed door het Uwv, ten bedrage van € 934,-, evenals het betaalde griffierecht van € 559,-. Uit deze uitspraak volgt dat een eigen risicodrager er bij een eerstejaars ZW-beoordeling belang bij kan hebben de arbeidskundige onderbouwing van geselecteerde functies, waaronder taalvereisten, actief te controleren en zo nodig in bezwaar te betwisten.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

De ZW-uitkering van werkneemster blijft beëindigd per 18 februari 2023; het beroep bij de rechtbank dat tot een nieuwe beoordeling had geleid, is door de Raad alsnog ongegrond verklaard. De Raad volgt het oordeel van de arts bezwaar en beroep dat werkneemster medisch gezien in staat is haar gevoelens adequaat te uiten, en het oordeel van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de functie productiemedewerker industrie passend is. Werkneemster krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Vragen over deze uitspraak

Waarom neemt de Raad geen beperking aan op punt 2.7 eigen gevoelens uiten?

De arts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat werkneemster bij eerdere contacten adequaat haar gevoelens kon beschrijven, en dat het later getoonde gedrag neerkomt op houding en attitude, niet op een stoornis of gebrek. Volgens de Basisinformatie CBBS moet ongecontroleerd of geblokkeerd gevoelsuitingen terug te voeren zijn op een stoornis; dat is bij werkneemster niet gebleken.

Hoe zwaar weegt een CV waarop iemand aangeeft Engels te beheersen bij de functieduiding?

De Raad laat de vermelding op het CV en het WIA-aanvraagformulier zwaar meewegen en legt de bewijslast bij werkneemster: zij moet aannemelijk maken dat die informatie niet klopt. Werkneemster heeft dit op geen enkele manier aannemelijk gemaakt, waardoor de functie productiemedewerker industrie passend wordt geacht.

Kan de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afwijken van de bevinding van de primaire arbeidsdeskundige over taalvaardigheid?

Ja, de Raad bevestigt dat bij een heroverweging het mogelijk is dat niet alle gegevens worden overgenomen en/of dat andere arbeidskundige afwegingen worden gemaakt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de constatering van de primaire arbeidsdeskundige over onvoldoende Engels dus niet hoeven overnemen.

Wie betaalt de proceskosten na de vernietiging van de uitspraak van de rechtbank?

Het Uwv betaalt de proceskosten van werkgeefster in hoger beroep ten bedrage van € 934,- en vergoedt het door werkgeefster betaalde griffierecht van € 559,-. Werkneemster krijgt geen vergoeding voor haar proceskosten, omdat haar beroep ongegrond is verklaard.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket