Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

Uwv weigert WIA-uitkering terecht omdat appellant geschikt is voor eigen werk als productiemedewerker

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Terecht geoordeeld dat appellant geschikt is voor zijn maatgevende arbeid bij zijn eigen werkgever of een andere…

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:234Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
25 februari 2026

In het kort

  • Appellant werkte als productiemedewerker voor 26,33 uur per week en meldde zich op 7 april 2020 ziek met psychische klachten, rugklachten en enkelklachten.
  • Het Uwv weigerde per 5 april 2022 een WIA-uitkering omdat appellant geschikt is voor zijn maatgevende arbeid van productiemedewerker.
  • De verzekeringsarts legde de beperkingen vast in een FML van 31 januari 2023; beperkingen op items 2.6, 2.7 en 2.9 werden niet nodig geacht.
  • Appellant leverde in hoger beroep geen medische onderbouwing voor verdergaande psychische of fysieke beperkingen.
  • De Centrale Raad van Beroep bevestigt op 25 februari 2026 de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 mei 2024.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellant meldde zich op 7 april 2020 ziek met psychische klachten, rugklachten en enkelklachten. Hij werkte voor die tijd als productiemedewerker voor 26,33 uur per week via een uitzendbureau. Het Uwv weigerde hem per 5 april 2022 een WIA-uitkering omdat hij geschikt werd geacht voor zijn maatgevende arbeid. Appellant bestreed dat oordeel en stelde dat zijn beperkingen waren onderschat, met name door PTSS, angst- en paniekklachten en rugklachten.

De verzekeringsarts legde de beperkingen vast in een FML van 31 januari 2023. De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk als productiemedewerker. In bezwaar bevestigden de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dit oordeel. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep ongegrond op 22 mei 2024.

In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn trauma gerelateerde klachten, angst in openbare ruimtes, paniekaanvallen en beperkingen in zitten, staan en lopen. De Centrale Raad van Beroep volgt dit standpunt niet. Appellant heeft in hoger beroep geen medische onderbouwing gegeven voor zijn stelling dat hij niet kan omgaan met de sociale dynamiek die bij werken hoort. Voor de rugklachten zijn evenmin medische stukken ingebracht die onderbouwen dat hij niet langer dan een half uur kan zitten of verdergaand beperkt is in staan of lopen.

Over de geduide functie overweegt de Raad dat het eenvoudig productiewerk betreft dat psychisch niet belastend is en dat het werk hoofdzakelijk, voor 95 procent, zittend wordt uitgevoerd, zodat lopen en staan geen rol spelen. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en laat de weigering van de WIA-uitkering in stand. Aan een theoretische schatting op grond van het Schattingsbesluit wordt niet toegekomen.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering per 5 april 2022, omdat hij geschikt is voor zijn maatgevende arbeid van productiemedewerker. Wie in hoger beroep wil bereiken dat meer beperkingen worden aangenomen, moet dat met medische stukken onderbouwen die betrekking hebben op de datum in geding; de Raad laat het oordeel van de verzekeringsartsen anders ongewijzigd. Appellant krijgt geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

Vragen over deze uitspraak

Waarom kreeg appellant geen WIA-uitkering?

Appellant is geschikt bevonden voor zijn eigen werk als productiemedewerker, zodat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA. Omdat hij zijn maatgevende arbeid kan verrichten, is er geen verlies aan verdiencapaciteit en wordt de drempel van 35 procent niet bereikt.

Waarom zijn er geen beperkingen opgenomen voor omgaan met collega's en sociale situaties?

Het Uwv legde uit dat beperkingen op items 2.6, 2.7 en 2.9 alleen aan de orde zijn bij mensen met andersoortige psychische klachten, zoals een verstandelijke beperking, schizofrenie, psychose, dementie, ADHD of autismespectrumstoornis. Appellant behoort niet tot die groep.

Waarom telde de informatie van de psycholoog niet mee?

De informatie van psycholoog X is van 2 december 2020 en heeft geen betrekking op de datum in geding van 5 april 2022. Informatie die niet ziet op de datum in geding kan de vastgestelde belastbaarheid op die datum niet onderbouwen.

Waarom is er geen theoretische schatting gemaakt met functies uit het CBBS?

Aan een theoretische schatting op grond van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten wordt niet toegekomen omdat appellant geschikt is voor zijn eigen werk als productiemedewerker en er geen verlies aan verdiencapaciteit is.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket