Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

Beide WIA-schattingen blijven in stand: appellante is per 24 november 2018 65,71% en per 26 september 2019 68,33% arbeidsongeschikt

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid per 24 november 2018 op 65,71% en per 26 september 2019 op 68,33%. WGA-loonaanvullingsuitkering. Herbeoordeling.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2025:1741Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
27 november 2025

In het kort

  • Per 24 november 2018 is appellante 65,71% arbeidsongeschikt; de WGA-vervolguitkering op basis van 65 tot 80% blijft in stand.
  • Per 26 september 2019 is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 68,33%, mede na aanpassing van de FML wegens een vroege zwangerschap van 4 à 5 weken.
  • De onafhankelijke deskundige L. Greveling-Fockens achtte op beide data een urenbeperking van 30 uur per week passend en zag geen reden voor volledige arbeidsong
  • De redelijke termijn is met twee jaar en zeven maanden overschreden; de Staat betaalt € 3.000,- schadevergoeding aan appellante.
  • Het Uwv betaalt € 2.267,50 proceskosten omdat de medische grondslag voor de schatting per 26 september 2019 pas in hoger beroep volledig werd aangeleverd.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellante werkte als verpleegkundige en ontving al jaren een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling op verzoek van de ex-werkgever stelde het Uwv bij bestreden besluit 1 vast dat appellante per 24 november 2018 65,71% arbeidsongeschikt is en recht heeft op een WGA-vervolguitkering op basis van 65 tot 80%. Na een melding van toegenomen klachten per 26 september 2019 stelde het Uwv bij bestreden besluit 2 vast dat appellante per die datum 66,93% arbeidsongeschikt is. De rechtbank vernietigde beide besluiten wegens motiveringsgebreken, maar liet de rechtsgevolgen in stand dan wel stelde de arbeidsongeschiktheid per 26 september 2019 vast op 68,33%.

De rechtbank had een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige benoemd. Deze deskundige concludeerde dat op beide data geen sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid. Per 24 november 2018 achtte de deskundige een urenbeperking van 30 uur per week passend en waren geen schouderklachten aannemelijk. Per 26 september 2019 speelde mee dat appellante enkele weken zwanger bleek te zijn zonder dat zijzelf dat wist, en was een aanvullende beperking voor veelvuldige storingen en onderbrekingen gerechtvaardigd.

In hoger beroep volgt de Raad de rechtbank in beide zaken. Appellante heeft haar standpunt dat zij geen benutbare mogelijkheden had en verdergaand beperkt was, niet onderbouwd met medisch objectiveerbare gegevens. Voor de schatting per 26 september 2019 heeft het Uwv in hoger beroep alsnog een beperking voor item 3.10.1 (ioniserende straling, toxische stoffen en toxoplasmose) opgenomen wegens de vroege zwangerschap, en de urenbeperking gecorrigeerd naar 30 uur per week. De arbeidsdeskundige heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies Productiemedewerker industrie, Machinaal metaalbewerker en Huishoudelijk medewerker passend zijn, mede gelet op de prikkelarme werkomgeving en de mogelijkheid om beschermende maatregelen te treffen.

Omdat de medische grondslag voor de schatting per 26 september 2019 pas in hoger beroep volledig werd aangeleverd, wordt het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante in die zaak ten bedrage van € 2.267,50. Wegens overschrijding van de redelijke termijn met twee jaar en zeven maanden wordt de Staat veroordeeld tot betaling van € 3.000,- schadevergoeding.

Wat betekent deze uitspraak voor de werkgever?

De ex-werkgever had zelf om de herbeoordeling per 24 november 2018 verzocht en ook bezwaar gemaakt tegen de aanvankelijke vaststelling van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid per 26 september 2019. De Raad bevestigt dat appellante op beide data niet volledig arbeidsongeschikt is en ingedeeld blijft in de klasse 65 tot 80%. Het Uwv werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 2.267,50 omdat de medische grondslag voor de schatting per 26 september 2019 pas in hoger beroep volledig werd aangeleverd; deze veroordeling raakt de werkgever niet rechtstreeks maar illustreert dat een onvolledige medische onderbouwing bij bezwaar en beroep tot extra kosten kan leiden.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

Beide hoger beroepen van appellante slagen niet: zij blijft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80% op beide beoordelingsdata. De Raad oordeelt dat appellante haar stellingen over volledige arbeidsongeschiktheid en verdergaande beperkingen niet heeft onderbouwd met medisch objectiveerbare gegevens. Wel ontvangt appellante € 3.000,- schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn met twee jaar en zeven maanden, en vergoedt het Uwv de proceskosten van € 2.267,50 in de zaak over de schatting per 26 september 2019 omdat de medische grondslag daarvoor pas in hoger beroep volledig was aangeleverd.

Vragen over deze uitspraak

Waarom werd de FML voor 26 september 2019 pas in hoger beroep aangepast?

Het Uwv had de medische grondslag van de schatting per 26 september 2019 onvolledig aangeleverd, waarna de Raad vragen stelde en het Uwv alsnog een beperking voor item 3.10.1 opnam wegens de vroege zwangerschap en de urenbeperking corrigeerde naar 30 uur per week. Omdat dit pas in hoger beroep gebeurde, werd het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante van € 2.267,50.

Waarom vervalt de beperking voor werken boven schouderhoogte?

De onafhankelijke deskundige stelde vast dat appellante per 24 november 2018 geen schouderklachten had benoemd en uit de gegevens van de behandelend sector ook niet bleek dat daarvan sprake was of dat zij hiervoor behandeld werd. Datzelfde gold per 26 september 2019.

Hoe is beoordeeld of de geselecteerde functies passen bij de beperking voor een prikkelarme werkomgeving?

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep motiveerde per functie dat geen sprake is van substantiële visueel of auditief afleidende prikkels: bij Productiemedewerker industrie zijn er tussenschotten en is gehoorbescherming beschikbaar, bij Machinaal metaalbewerker maken de weefgetouwen geen lawaai, en bij Huishoudelijk medewerker is het persoonlijk contact minimaal en de werkomgeving rustig.

Hoeveel schadevergoeding krijgt appellante wegens de lange doorlooptijd?

De Staat betaalt € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding. De procedure duurde vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 1 mei 2019 tot de uitspraak van 27 november 2025 in totaal zes jaar en zeven maanden, wat een overschrijding van de redelijke termijn van vier jaar oplevert met twee jaar en zeven maanden.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket