Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

WIA-uitkering terecht geweigerd na herstel arbeidskundige grondslag voor maatmanomvang en maatmaninkomen

Einduitspraak. Weigering toekenning WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:146Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
11 februari 2026

In het kort

  • De Raad oordeelde in de tussenuitspraak van 9 juli 2025 dat het Uwv de tijdvakken februari tot en met juni 2018 met wisselende uren ten onrechte buiten de refer
  • Na herstel stelde de arbeidsdeskundige het maatmaninkomen vast op € 16,58 per uur en de maatmanomvang op 26,61 uur per week op 15 februari 2021.
  • De vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid bedraagt 34,58%, zodat de WIA-uitkering terecht is geweigerd.
  • De redelijke termijn is met elf maanden overschreden; appellante ontvangt € 1.000,- schadevergoeding, verdeeld over de Staat (€ 454,55) en het Uwv (€ 545,45).
  • Het Uwv wordt veroordeeld in de totale proceskosten van € 3.502,50 en dient het griffierecht van € 185,- te vergoeden.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellante had bezwaar gemaakt tegen de weigering van het Uwv om haar met ingang van 15 februari 2021 een WIA-uitkering toe te kennen. In een tussenuitspraak van 9 juli 2025 had de Raad de medische grondslag onderschreven, maar geoordeeld dat het Uwv het maatmaninkomen en de maatmanomvang onvoldoende had gemotiveerd. Het Uwv had ten onrechte de tijdvakken februari tot en met juni 2018, waarin appellante wisselende uren werkte, buiten de referteperiode gelaten.

De Raad stelde in de tussenuitspraak vast dat appellante in februari en maart 2018 een urenomvang had van 96 uren (24 uur per week) en dat het overwerk in de maanden april tot en met juli 2018 (114 uur, 115,50 uur en 130 uur) niet zodanig incidenteel was dat het buiten beschouwing mocht blijven. Er waren geen aanwijzingen dat de arbeid en het inkomen in de maanden februari tot en met juni 2018 niet representatief waren voor de arbeidsverhouding, die al sinds 2012 bestond.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak stelde de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op 3 september 2025 opnieuw het maatmaninkomen en de maatmanomvang vast, met inbegrip van de eerder ten onrechte weggelaten tijdvakken. Hij kwam uit op een maatmaninkomen van € 16,58 per uur en een maatmanomvang van 26,61 uur per week op de datum in geding. Op basis van de geduide functies machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122), machinebediende inpak-/verpakkingsmachine (SBC-code 271093) en assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (SBC-code 267071) bedroeg de mate van arbeidsongeschiktheid 34,58%.

Appellante bestreed de nieuwe berekening, stellende dat het Uwv uitging van een te hoge maatmanomvang op basis van 1389 verloonde uren. De Raad verwierp dit betoog omdat het op geen enkele wijze nader was onderbouwd. De Raad achtte de berekening van de arbeidsdeskundige navolgbaar en oordeelde dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op minder dan 35% had vastgesteld, zodat de weigering van de WIA-uitkering standhield.

Omdat de procedure vanaf ontvangst van het bezwaarschrift op 25 maart 2021 tot de uitspraak vier jaar en afgerond elf maanden duurde, werd de redelijke termijn met elf maanden overschreden. Dit leidde tot een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-, waarvan € 454,55 voor rekening van de Staat en € 545,45 voor rekening van het Uwv.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

De WIA-uitkering wordt definitief geweigerd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid op 34,58% is vastgesteld, dus minder dan de drempel van 35%. Wel ontvangt appellante € 1.000,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan € 545,45 van het Uwv en € 454,55 van de Staat. Het Uwv vergoedt bovendien de proceskosten van € 3.502,50 en het griffierecht van € 185,-.

Vragen over deze uitspraak

Waarom werd de WIA-uitkering in eerste instantie afgewezen?

Het Uwv stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 35%, waardoor appellante niet voor een WIA-uitkering in aanmerking kwam. De Raad constateerde echter dat het Uwv het maatmaninkomen ondeugdelijk had gemotiveerd, omdat tijdvakken met wisselende uren ten onrechte buiten de referteperiode waren gelaten.

Welke tijdvakken moesten alsnog in de berekening van het maatmaninkomen worden meegenomen?

De tijdvakken februari tot en met juni 2018 moesten alsnog worden betrokken in de referteperiode. Het overwerk in de maanden april tot en met juli 2018, met respectievelijk 114 uur, 115,50 uur en 130 uur, was niet zodanig incidenteel dat het buiten beschouwing mocht blijven.

Wat was het uiteindelijke arbeidsongeschiktheidspercentage na herstel van de berekening?

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 34,58%, dus minder dan 35%. Daarmee bleef de WIA-uitkering geweigerd.

Krijgt appellante nog iets vergoed ondanks de afwijzing van de uitkering?

Appellante ontvangt € 1.000,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn met elf maanden. Daarnaast vergoedt het Uwv de proceskosten van € 3.502,50 en het griffierecht van € 185,-.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket