Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

Werk bij werkgever 1 dat appellant niet aankon telt mee bij berekening WIA-dagloon; dagloon van € 55,78 blijft in stand

Vaststelling WIA-dagloon. De voorgeschreven berekeningswijze leidt niet tot een onevenredige uitkomst.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:857Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
1 juli 2026

In het kort

  • Het WIA-dagloon is vastgesteld op € 55,78, berekend op basis van 22 dagloondagen over de referteperiode van 20 mei 2018 tot en met 19 mei 2019.
  • De Raad oordeelt dat de passendheid van werk in de referteperiode niet relevant is voor de dagloonberekening; alle dienstbetrekkingen waaruit loon is genoten te
  • Het Uwv kende alsnog een IVA-uitkering toe bij bestreden besluit 3 van 4 mei 2026, nadat de Raad om nadere toelichting over de duurzaamheid had gevraagd.
  • De proceskostenvergoeding in beroep werd verhoogd van € 907,- naar € 1.868,-; de proceskosten in hoger beroep werden vastgesteld op € 2.335,-.
  • Volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid zonder inkomensperspectief is geen bijzondere omstandigheid die afwijking van het Dagloonbesluit rechtvaardigt.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellant ontving vanaf 7 juni 2021 een WIA-uitkering. In geschil was de hoogte van het WIA-dagloon. Het Uwv had het dagloon aanvankelijk berekend op basis van 122 dagloondagen, maar stelde dit tijdens de beroepsprocedure bij naar € 55,78 op basis van 22 dagloondagen, omdat tussenliggende loonloze tijdvakken buiten beschouwing werden gelaten. De referteperiode liep van 20 mei 2018 tot en met 19 mei 2019. Appellant had in die periode eerst twee dagen gewerkt bij werkgever 1 (29 en 30 november 2018) en daarna vanaf 23 april 2019 bij werkgever 2.

Appellant betoogde dat het werk bij werkgever 1 niet passend was en hij het maar kort had volgehouden. Hij vond dat dit werk buiten de dagloonberekening moest blijven. Bovendien stelde hij dat het WIA-dagloon gelijk moest zijn aan het eerder ontvangen ZW-dagloon van ruim € 71,-, dan wel uitsluitend berekend moest worden op basis van het loon bij werkgever 2, wat zou uitkomen op ruim € 56,-. Als grondslag voerde hij het evenredigheidsbeginsel aan.

De Raad oordeelde dat de berekening van het dagloon berust op een gebonden bevoegdheid neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift. Bij een gebonden bevoegdheid heeft op dat niveau al een algemene belangenafweging plaatsgevonden. De Raad toetste daarom of er bijzondere omstandigheden waren die de toepassing onredelijk bezwarend maakten voor appellant. Die bijzondere omstandigheden waren er niet.

Uit de wettelijke regeling volgt dat alle dienstbetrekkingen waaruit in de referteperiode loon is genoten worden meegenomen, ongeacht de duur van het werk of de passendheid ervan. De stelling dat het werk bij werkgever 1 niet passend was, levert daarom geen bijzondere omstandigheid op om af te wijken van het Dagloonbesluit. Ook de omstandigheid dat appellant door zijn volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid waarschijnlijk niet meer kan werken, is geen bijzondere omstandigheid: dit geldt immers ook voor andere IVA-gerechtigden.

Nadat de Raad het Uwv had gevraagd om het standpunt over de duurzaamheid nader toe te lichten, kende het Uwv alsnog een IVA-uitkering toe (bestreden besluit 3 van 4 mei 2026). Appellant stemde daarmee in. Het dagloon van € 55,78 bleef ook in bestreden besluit 3 gehandhaafd en bleef na de uitspraak van de Raad in stand.

De door de rechtbank vastgestelde proceskostenvergoeding in beroep van € 907,- werd door de Raad verhoogd naar € 1.868,-, omdat de rechtbank had verzuimd een punt toe te kennen voor het bijwonen van de zitting. De proceskosten in hoger beroep werden vastgesteld op € 2.335,-.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

Het WIA-dagloon van € 55,78 blijft in stand, ook al was het werk bij werkgever 1 volgens appellant niet passend en heeft hij het maar kort volgehouden. De Raad oordeelt dat de passendheid van werk in de referteperiode geen rol speelt bij de dagloonberekening en dat het feit dat appellant door zijn IVA-status geen inkomen meer kan aanvullen, geen bijzondere omstandigheid is die een hoger dagloon rechtvaardigt. Positief is dat het Uwv alsnog een IVA-uitkering heeft toegekend en dat de proceskostenvergoeding in beroep is verhoogd van € 907,- naar € 1.868,-.

Vragen over deze uitspraak

Telt werk dat iemand maar heel kort heeft gedaan en niet aankon mee voor het WIA-dagloon?

Ja, dat werk telt mee. De Raad oordeelt dat alle dienstbetrekkingen waaruit in de referteperiode loon is genoten worden meegenomen, ongeacht hoe lang de betrokkene het werk heeft verricht en of het werk passend was. De stelling dat het werk niet passend was, levert geen bijzondere omstandigheid op om van het Dagloonbesluit af te wijken.

Moet het WIA-dagloon even hoog zijn als het ZW-dagloon?

Nee, dat hoeft niet. Het verschil wordt veroorzaakt doordat voor het ZW-dagloon alleen het loon uit de dienstbetrekking waaruit de ziekte is ontstaan relevant is, terwijl voor het WIA-dagloon ook eerdere dienstbetrekkingen in de referteperiode meetellen. De Raad ziet in dit verschil geen reden om het WIA-dagloon aan te passen.

Kan het evenredigheidsbeginsel ertoe leiden dat het Uwv een lager dagloon buiten beschouwing laat?

Alleen als de toepassing van het Dagloonbesluit in de gegeven omstandigheden onredelijk bezwarend is voor de betrokkene. De Raad toetst of er bijzondere omstandigheden zijn, maar oordeelt in deze zaak dat de berekening niet onredelijk bezwarend is. Dat iemand door volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid niet meer kan werken, is geen bijzondere omstandigheid omdat dit ook voor andere IVA-gerechtigden geldt.

Wat krijgt appellant vergoed aan proceskosten na deze uitspraak?

De proceskostenvergoeding in beroep wordt vastgesteld op € 1.868,- en de proceskosten in hoger beroep op € 2.335,-. Daarnaast vergoedt het Uwv het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,-. Het verzoek om vergoeding van reiskosten wordt afgewezen omdat appellant de zitting zelf niet heeft bijgewoond.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket