Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

Dagloon WIA terecht vastgesteld op € 52,07 ondanks lagere inkomsten door coronamaatregelen tijdens referteperiode

Vaststelling dagloon WIA-uitkering. Als gevolg van de Coronamaatregelen heeft appellant minder loon ontvangen dan gebruikelijk.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:488Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
22 april 2026

In het kort

  • Het Uwv heeft het WIA-dagloon bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 24 januari 2025 vastgesteld op € 52,07, na buiten beschouwing laten van twee loonloze tij
  • De referteperiode loopt dwingend van 10 augustus 2019 tot en met 9 augustus 2020 en kan niet worden verschoven vanwege lagere inkomsten door coronamaatregelen.
  • Het SV-loon van € 9.962,56 is gedeeld door 200 dagloondagen; het aantal feitelijk gewerkte dagen (89,1) is voor de dagloonberekening niet relevant.
  • Alle doordeweekse dagen in kalendermaanden waarin loon is genoten tellen als dagloondagen; of op die dagen feitelijk is gewerkt doet niet ter zake.
  • Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.203,-, plus vergoeding van griffierecht van € 188,-.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellant ontving vanaf 10 augustus 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering. Het Uwv stelde het WIA-dagloon aanvankelijk vast op € 39,90, gebaseerd op een totaal SV-loon van € 9.962,56 in de referteperiode van 10 augustus 2019 tot en met 9 augustus 2020, gedeeld door 261 dagloondagen. Appellant werkte op basis van een 0-urencontract en stelde dat hij door de coronamaatregelen minder werd ingeroosterd, waardoor de referteperiode niet representatief was voor zijn gebruikelijke inkomen. Hij betoogde dat uitgegaan moest worden van een eerdere, representatieve periode.

Na vragen van de Raad in het kader van uitspraken van 30 juli 2024 over dagloonberekening, nam het Uwv op 24 januari 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar. Daarin werden twee loonloze tijdvakken (4 november 2019 tot en met 31 december 2019 en 13 juli 2020 tot en met 9 augustus 2020) buiten beschouwing gelaten, waarna het SV-loon werd gedeeld door 200 dagloondagen. Het dagloon werd alsnog vastgesteld op € 52,07.

Appellant bleef bezwaar maken. Hij voerde aan dat hij in de referteperiode slechts 89,1 dagen had gewerkt en dat het SV-loon door dat aantal feitelijk gewerkte dagen had moeten worden gedeeld. Ook stelde hij dat het gehanteerde SV-loon niet overeenkwam met het netto loon op zijn loonstroken.

De Raad oordeelt dat het dagloon van € 52,07 juist is vastgesteld. Ten aanzien van de referteperiode stelt de Raad vast dat sprake is van een gebonden bevoegdheid op grond van een algemeen verbindend voorschrift, en beoordeelt of de toepassing ervan in dit geval onredelijk bezwarend is. Dat is volgens de Raad niet het geval: het historisch dagloon is bepalend en de besluitgever maakt geen onderscheid naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen. Het argument dat de arbeidsdeskundige bij het maatmaninkomen bepaalde periodes buiten beschouwing liet, treft geen doel, omdat de vaststelling van het maatmaninkomen losstaat van de vaststelling van het dagloon.

Over het aantal dagloondagen oordeelt de Raad dat uit artikel 1, tweede lid, van het Dagloonbesluit volgt dat alle doordeweekse dagen als dagloondagen worden aangemerkt, ongeacht of op die dagen feitelijk is gewerkt of loon is genoten. Delen door 89,1 feitelijk gewerkte dagen is dus niet de juiste methode. De verwijzing naar netto loon op loonstroken acht de Raad onvoldoende grond om te twijfelen aan de juistheid van het gehanteerde SV-loon.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

Het WIA-dagloon van € 52,07 zoals vastgesteld in de gewijzigde beslissing op bezwaar van 24 januari 2025 blijft in stand. De loonloze tijdvakken zijn alsnog buiten beschouwing gelaten, maar een verdere aanpassing vanwege de coronamaatregelen of het werkelijke aantal gewerkte dagen is door de Raad afgewezen. Uit de betaalspecificatie van 28 januari 2025 blijkt welk bedrag appellant als gevolg van de gewijzigde beslissing op bezwaar nog tegoed heeft.

Vragen over deze uitspraak

Mag het UWV bij de dagloonberekening een andere referteperiode hanteren als de werknemer door corona minder heeft verdiend?

Nee, de referteperiode volgt dwingend uit de wet en kan niet worden verschoven. De Raad oordeelt dat het historisch dagloon bepalend is en dat de besluitgever geen onderscheid maakt naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen. Dat een werknemer in andere omstandigheden gewend was meer uren te werken, maakt het niet onevenredig om van het historisch dagloon uit te gaan.

Tellen alleen de dagen waarop ik echt heb gewerkt mee als dagloondagen bij de WIA-dagloonberekening?

Nee, alle doordeweekse dagen in kalendermaanden waarin loon is genoten tellen als dagloondagen. Uit artikel 1, tweede lid, van het Dagloonbesluit volgt dat alle eerste vijf dagen van de kalenderweek dagloondagen zijn. Of op die dagen feitelijk is gewerkt of loon is genoten, is voor het bepalen van het aantal dagloondagen niet relevant.

Heeft de manier waarop de arbeidsdeskundige het maatmaninkomen berekent invloed op de hoogte van het WIA-dagloon?

Nee, de vaststelling van het maatmaninkomen staat los van de vaststelling van het dagloon. De Raad heeft dit meermalen geoordeeld en herhaalt dat in deze uitspraak.

Wat telt als bewijs dat het UWV het verkeerde SV-loon heeft gebruikt bij de dagloonberekening?

Een verwijzing naar het netto loon op loonstroken is onvoldoende. De Raad oordeelt dat de enkele verwijzing naar het op de loonstroken weergegeven netto loon geen aanleiding geeft om te veronderstellen dat het Uwv is uitgegaan van een onjuist bedrag aan SV-loon.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket