Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

WIA-uitkering terecht beëindigd per 29 juni 2024 omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is

Beëindiging WIA-uitkering. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2025:1504Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
8 oktober 2025

In het kort

  • De WGA-loonaanvullingsuitkering van appellante is per 29 juni 2024 beëindigd omdat zij na herbeoordeling minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
  • De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend uiteengezet waarom geen urenbeperking op grond van de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid was aangewezen.
  • De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep motiveerde dat de loopbelasting in de functie Bezorger pakketten e.d. (auto) van maximaal vierenzestig minuten per werkdag slechts marginaal hoger is dan de FML-waarde van ongeveer één uur.
  • De uitlooptermijn liep vanaf de aanzegging van de functies op 10 november 2023; omdat de ex-werkgever bezwaar had ingesteld, gold daarnaast de zes-wekentermijn na de beslissing op bezwaar, zodat de einddatum van 29 juni 2024 correct was.
Wetsartikelen
artikel 56, tweede lid, WIA, artikel 117, eerste lid, WIA

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellante ontving een WGA-loonaanvullingsuitkering nadat zij was herbeoordeeld als volledig arbeidsongeschikt. Haar ex-werkgever maakte bezwaar tegen dat besluit. Na herbeoordeling stelde het Uwv vast dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en beëindigde de uitkering per 29 juni 2024. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij meer beperkingen heeft dan aangenomen, dat een urenbeperking had moeten worden vastgesteld, dat de geduide functie Bezorger pakketten e.d. (auto) haar belastbaarheid overschrijdt, en dat de uitkering op een latere datum had moeten eindigen.

De Raad verwierp alle gronden. Het medisch onderzoek achtte de Raad zorgvuldig: de verzekeringsarts had spreekuurcontact gehad, een lichamelijk en psychisch onderzoek verricht, en informatie van de behandelend sector betrokken, waaronder de neuroloog, de huisarts en de MDL-arts. Er was rekening gehouden met de diagnoses depressieve episode, rugpijn aspecifiek chronisch en fibromyalgie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had na een volledige heroverweging overtuigend uiteengezet waarom zij de conclusies over de belastbaarheid onderschreef. Appellante had geen medische informatie overgelegd die tot twijfel aanleiding gaf.

Ten aanzien van de urenbeperking had de verzekeringsarts overtuigend gemotiveerd waarom geen aanleiding was gezien voor een urenbeperking op grond van de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid.

Over de functie Bezorger pakketten e.d. (auto) (SBC-code 111230) had de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat de totale loopbelasting van maximaal vierenzestig minuten per werkdag een marginaal hogere belasting is dan de FML-waarde van ongeveer één uur, en dat de werkzaamheden verder grotendeels zittend worden uitgevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kon zich in deze toelichting vinden. De Raad zag geen reden om aan de juistheid van die conclusie te twijfelen en oordeelde dat van een ontoelaatbare relativering van de functiebelasting geen sprake is.

De Raad verwierp ook de grond over de einddatum. De uitlooptermijn van twee maanden liep vanaf de aanzegging van de functies op 10 november 2023, zodat de uitkering per 11 januari 2024 beëindigd had kunnen worden. Omdat het bezwaar was ingesteld door de ex-werkgever, kon de intrekking echter niet eerder plaatsvinden dan zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Het Uwv had die termijn in acht genomen en de uitkering terecht per 29 juni 2024 beëindigd.

Wat betekent deze uitspraak voor de werkgever?

Wanneer een werkgever of ex-werkgever bezwaar instelt tegen een WIA-besluit en dat bezwaar leidt tot intrekking van de uitkering, kan die intrekking niet eerder ingaan dan zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. In deze zaak betekende dat een einddatum van 29 juni 2024, ook al had de uitlooptermijn van twee maanden al eerder verstrijken. Beide termijnen moeten dus naast elkaar worden berekend, waarbij de langste de einddatum bepaalt.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

Appellante ontving ondanks haar klachten over nek, schouder, rug, vermoeidheid en mentale klachten geen aanvullende beperkingen, omdat de verzekeringsartsen hun conclusies hadden gebaseerd op eigen onderzoek én op informatie van de behandelend sector. De Raad bevestigde dat wie de medische beoordeling wil aantasten, medische informatie moet aanleveren die tot twijfel leidt; het enkel herhalen van klachten volstaat niet.

Vragen over deze uitspraak

Waarom eindigde de uitkering pas op 29 juni 2024 en niet al in januari 2024?

Omdat het bezwaar was ingesteld door de ex-werkgever, mocht de intrekking niet eerder plaatsvinden dan zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar van 17 mei 2024. De uitlooptermijn van twee maanden vanaf de aanzegging op 10 november 2023 leidde weliswaar tot een mogelijke einddatum van 11 januari 2024, maar de zes-wekentermijn schoof de feitelijke einddatum op naar 29 juni 2024.

Is een overschrijding van de loopbelasting in een geduide functie altijd een probleem?

Niet automatisch. De Raad liet de functie Bezorger pakketten e.d. (auto) in stand omdat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep had gemotiveerd dat de loopbelasting van maximaal vierenzestig minuten per werkdag slechts marginaal hoger was dan de FML-waarde van ongeveer één uur, en dat de werkzaamheden verder grotendeels zittend werden uitgevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kon zich in die toelichting vinden.

Moet het Uwv in hoger beroep altijd een nieuwe reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep leveren?

Nee. Het Uwv is niet gehouden om in elke situatie een verzekeringsarts bezwaar en beroep op de in hoger beroep ingediende gronden te laten reageren. In deze zaak had de gemachtigde van het Uwv ter zitting voldoende gemotiveerd toegelicht waarom daartoe geen aanleiding was.

Wat moest appellante aanleveren om de medische beoordeling ter discussie te stellen?

Appellante had medische informatie moeten overleggen die leidt tot twijfel aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsartsen. Zij had dat niet gedaan, zodat de Raad geen aanknopingspunt zag om aan de beoordeling te twijfelen.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket