Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

Beëindiging WIA-uitkering blijft in stand na geschil over inkomenberekening AVWB december 2022

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellante per 4 oktober 2023 heeft beëindigd, omdat zij met inkomsten uit werk een…

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:635Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
20 mei 2026

In het kort

  • Het Uwv beëindigde de WIA-uitkering van appellante per 4 oktober 2023, omdat zij een jaar lang meer dan 65% van haar maatmaninkomen verdiende.
  • Het geschil spitste zich toe op het betaalde arbeidsvoorwaardenbedrag (AVWB) in december 2022: € 2.003,94 of € 2.267,90.
  • De Raad oordeelt dat de berekening van het Uwv correct is, omdat bij het SV-loon en het betaalde AVWB dezelfde bedragen moeten worden gehanteerd.
  • Appellante had de reiskostenvergoeding van € 263,96 al verdisconteerd in het SV-loon; haar berekening had dit bedrag dubbel afgetrokken.
  • De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 september 2024 en appellante krijgt geen vergoeding voor proceskosten.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellante ontving een WIA-uitkering en werkte daarnaast als leerkracht. Het Uwv beëindigde haar uitkering per 4 oktober 2023, omdat zij gedurende een jaar meer dan 65% van haar maatmaninkomen had verdiend. Appellante bestreed de berekening van haar inkomen over december 2022: zij stelde dat het Uwv het betaalde arbeidsvoorwaardenbedrag (AVWB) te hoog had vastgesteld doordat een bedrag van € 263,96 aan fiscale uitruil van reiskosten ten onrechte in mindering was gebracht op het uitbetaalde AVWB van € 2.267,90, waardoor het Uwv uitkwam op een betaald AVWB van € 2.003,94 in plaats van € 2.267,90.

De Raad verwerpt de redenering van appellante. Appellante had bij haar eigen berekening van het SV-loon wel het bedrag van € 263,96 in mindering gebracht, maar bij het bepalen van het in mindering te brengen betaalde AVWB niet. De Raad oordeelt dat dit inconsequent is: bij de berekening van het SV-loon en bij de berekening van het betaalde AVWB moeten dezelfde bedragen worden gehanteerd. In de lezing van appellante zou de reiskostenvergoeding twee keer worden afgetrokken, eerst via het lagere SV-loon en daarna nogmaals via het hogere niet in aanmerking te nemen AVWB, hetgeen leidt tot een te lage vaststelling van het inkomen.

De Raad verwijst naar eerdere uitspraken (ECLI:NL:CRVB:2019:1835 en ECLI:NL:CRVB:2022:391) waarin is overwogen dat de keuze van een betrokkene om het AVWB in te zetten voor een ander doel, zoals een fiscale uitruil, geen reden is om het inkomen lager vast te stellen. Appellante heeft dat bedrag ingeruild voor een onbelaste reiskostenvergoeding, waardoor haar SV-loon al lager uitkwam. Er is geen aanleiding dit bedrag ook nog eens op te tellen bij het niet in aanmerking te nemen betaalde AVWB.

Omdat het Uwv de juiste bedragen heeft gehanteerd, behoeft de grond dat het Uwv nader onderzoek had moeten doen naar de polisgegevens geen bespreking meer. Het hoger beroep slaagt niet en de beëindiging van de WIA-uitkering blijft in stand.

Wat betekent deze uitspraak voor de werkgever?

Een werkgever die een arbeidsvoorwaardenbedrag splits in een uitbetaald deel en een deel dat de werknemer uitsruilt voor een onbelaste vergoeding, dient er rekening mee te houden dat het Uwv bij de inkomenvaststelling dezelfde bedragen hanteert voor het SV-loon en het betaalde AVWB. De uitruil verlaagt het SV-loon al; het uitgeruilde bedrag telt niet nogmaals mee als niet in aanmerking te nemen AVWB.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

Een werknemer die een deel van zijn arbeidsvoorwaardenbedrag uitsruilt voor een onbelaste reiskostenvergoeding, kan dat bedrag bij de inkomenvaststelling voor de Wet WIA niet ook nog eens aftrekken van het in aanmerking te nemen betaalde AVWB. De Raad oordeelt dat de uitruil al is verdisconteerd in het lagere SV-loon, zodat een verdere verlaging van het vastgestelde inkomen niet aan de orde is.

Vragen over deze uitspraak

Waarom mocht het Uwv het inkomen in december 2022 op € 2.704,36 vaststellen?

Omdat bij de berekening van het SV-loon en het betaalde AVWB dezelfde bedragen moeten worden gehanteerd. Appellante had de reiskostenvergoeding van € 263,96 al in mindering gebracht op het SV-loon, zodat er geen reden was dit bedrag ook nog eens op te tellen bij het niet in aanmerking te nemen AVWB. Dat zou tot een dubbele aftrek en een te lage vaststelling leiden.

Wanneer eindigt een WGA-uitkering bij herstel van verdiencapaciteit?

Op grond van artikel 56, derde lid, van de Wet WIA eindigt het recht op een WGA-uitkering één jaar na de dag waarop de verzekerde niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, omdat hij met arbeid meer verdient dan 65% van het maatmaninkomen per uur.

Wat gebeurt er als een werknemer een deel van zijn arbeidsvoorwaardenbedrag fiscaal uitsruilt voor een reiskostenvergoeding?

De uitruil leidt tot een lager SV-loon. De Raad oordeelt dat er vervolgens geen aanleiding is het inkomen nog verder te verlagen door het uitgeruilde bedrag ook op te tellen bij het niet in aanmerking te nemen betaalde AVWB. De keuze om het AVWB in te zetten voor een ander doel komt voor rekening van de betrokkene.

Moet het Uwv nader onderzoek doen als een werknemer twijfel zaait over de polisgegevens?

In dit geval niet, omdat de Raad heeft vastgesteld dat het Uwv al van de juiste bedragen is uitgegaan. De grond dat nader onderzoek nodig was, behoefde daardoor geen verdere bespreking.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket