Centrale Raad van Beroep
Raad bevestigt arbeidsongeschiktheidspercentage van 62,44% ondanks beroep op meer beperkingen
Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 62,44%. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.
- ECLI-nummer
- ECLI:NL:CRVB:2026:18Lees de uitspraak
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Uitspraakdatum
- 8 januari 2026
In het kort
- De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is per 6 juni 2022 vastgesteld op 62,44%, wat recht geeft op een loongerelateerde WGA-uitkering.
- De FML van 16 mei 2023 bevat beperkingen in de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen, rekening houdend met artrose van de handen en fibromyalg
- Een urenbeperking is niet aangenomen; de revalidatiebehandeling waarnaar appellante verwijst startte pas op 14 juli 2023, na de datum in geding.
- Appellante legde geen medische stukken over die verdergaande beperkingen op de datum in geding onderbouwen; de Raad benoemde daarom geen onafhankelijk deskundig
- Het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 september 2024 slaagt niet.
Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?
Appellante, voormalig financieel administratief medewerkster voor 39,77 uur per week, meldde zich op 4 juni 2020 ziek met lichamelijke klachten. Na onderzoek door het Uwv werd haar per 6 juni 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid uiteindelijk werd vastgesteld op 62,44%. Appellante bestreed deze vaststelling en betoogde dat haar beperkingen zijn onderschat en dat zij de geselecteerde functies niet kan vervullen.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep achtte een beperkte fysieke belastbaarheid aannemelijk op grond van artrotische veranderingen, met name van de handen, en fibromyalgie. De beperkingen zijn vastgelegd in de FML van 16 mei 2023, specifiek in de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen. Voor artrose en fibromyalgie achtte de verzekeringsarts bezwaar en beroep gedoseerd bewegen en actief blijven aangewezen. Een verminderde psychische belastbaarheid werd erkend, maar voor verdergaande psychische beperkingen bestond geen grond. De tentoongespreide afhankelijkheid van appellante kon niet worden herleid tot een psychische stoornis. Bijwerkingen van medicijngebruik zijn meegewogen door appellante aangewezen te achten op werk zonder verhoogd persoonlijk risico en beperkt te achten voor beroepsmatig vervoer. Een urenbeperking werd niet geïndiceerd geacht omdat er geen stoornissen zijn waardoor appellante niet voltijds zou kunnen werken.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank volledig. Ten aanzien van het argument dat een urenbeperking nodig is omdat appellante drie keer per week naar het revalidatiecentrum gaat, oordeelt de Raad dat deze behandeling pas per 14 juli 2023 is gestart, dus ruim na de datum in geding. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische stukken overgelegd die aantonen dat zij op de datum in geding verdergaand beperkt was. Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, wijst de Raad het verzoek om benoeming van een onafhankelijk deskundige af. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 september 2024 wordt bevestigd.
Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?
De Raad bevestigt dat de WGA-uitkering op basis van 62,44% arbeidsongeschiktheid in stand blijft. Verdergaande beperkingen of een urenbeperking zijn niet aangenomen, omdat daarvoor geen medische onderbouwing is overgelegd en de ingeroepen revalidatiebehandeling pas na de datum in geding is gestart. Wie in een vergelijkbare procedure verdergaande beperkingen wil aantonen, moet die met medische stukken onderbouwen die betrekking hebben op de datum in geding.
Vragen over deze uitspraak
Waarom kreeg appellante geen urenbeperking terwijl ze drie keer per week naar het revalidatiecentrum gaat?
De revalidatiebehandeling telt niet mee omdat die pas op 14 juli 2023 is gestart, ruim na de datum in geding van 6 juni 2022. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat er geen sprake is van stoornissen waardoor appellante niet voltijds zou kunnen werken.
Hoe heeft het Uwv rekening gehouden met de bijwerkingen van medicijngebruik?
Appellante is aangewezen geacht op werk zonder verhoogd persoonlijk risico en is beperkt geacht voor beroepsmatig vervoer. Daarmee zijn de bijwerkingen van het medicijngebruik in de FML meegewogen.
Kan de rechter een onafhankelijk deskundige benoemen als een verzekerde dat vraagt?
Alleen als er twijfel bestaat aan de medische beoordeling. De Raad wees het verzoek af omdat appellante geen medische stukken had overgelegd die verdergaande beperkingen op de datum in geding onderbouwden en twijfel aan de beoordeling ontbrak.
Wat betekent een arbeidsongeschiktheidspercentage van 62,44% voor de uitkering?
Appellante heeft recht op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is, aan welke drempel appellante ruimschoots voldoet.
Verwante uitspraken
- Arbeidsongeschiktheidspercentage van 41,72% per 8 september 2022 blijft in stand ondanks latere volledige arbeidsongeschiktheid15 juli 2026
- Centrale Raad van Beroep bevestigt arbeidsongeschiktheidspercentage van 54,48% na benoeming onafhankelijk deskundige20 november 2025
- Arbeidsongeschiktheidspercentage van 37,61% blijft in stand ondanks beroep op meer beperkingen in FML11 december 2025


