Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

Deskundige stelt aanvullende beperkingen vast, maar de WAO-arbeidsongeschiktheidsklasse van appellant blijft 35 tot 45 procent

Herziening en aanpassing WAO-uitkering. Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid per 1 november 2020 naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% en per…

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:794Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
10 juni 2026

In het kort

  • De Raad benoemde verzekeringsarts M.M. Wolff-van der Ven als deskundige; zij onderzocht appellant op 4 oktober 2024 en rapporteerde op 12 oktober 2024.
  • De deskundige stelde aanvullende beperkingen vast op onder meer repeterend kracht zetten, frequent buigen, boven schouderhoogte werken en sociaal functioneren.
  • De verzekeringsarts bezwaar en beroep legde alle aanvullende beperkingen vast in nieuwe FML-en van 29 november 2024, geldig vanaf 1 november 2020 en 19 augustus
  • De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 39,81% per 1 november 2020 en 40,86% per 19 augustus 2021; de klasse 35
  • Het Uwv werd veroordeeld in proceskosten van € 3.736,- en griffierecht van € 185,-, omdat het bestreden besluit pas in hoger beroep toereikend was onderbouwd.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellant ontving sinds 8 november 2004 een WAO-uitkering en werkte daarnaast als productiemedewerker. Na een ziekmelding op 2 juli 2018 verrichtte het Uwv een eindewachttijdbeoordeling. Het Uwv stelde de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 november 2020 vast op 45 tot 55 procent en verlaagde die per 19 augustus 2021 naar 35 tot 45 procent. Appellant stelde dat hij meer medische beperkingen had dan het Uwv had aangenomen en dat hij de geselecteerde functies daardoor niet kon vervullen.

De Raad had twijfels over de juistheid van het standpunt van het Uwv en benoemde verzekeringsarts M.M. Wolff-van der Ven als onafhankelijk deskundige. De deskundige onderzocht appellant op 4 oktober 2024 en bracht op 12 oktober 2024 rapport uit. Zij stelde vast dat er aanleiding was voor aanvullende beperkingen op de items repeterend kracht zetten (vanwege artrotische veranderingen in de handen), frequent buigen (vanwege artrotische afwijkingen in de lage rug), langdurig boven schouderhoogte werken en repeterend reiken (om energetische redenen), en knielen/hurken. Op het vlak van sociaal functioneren achtte de deskundige beperkingen aangewezen bij het hanteren van emotionele problemen van derden, intensieve samenwerking en intensieve klant- en/of patiëntcontacten. De deskundige kon zich verenigen met de bestaande urenbeperking van acht uur per dag en veertig uur per week, en vond geen medische grond voor een aanvullende urenbeperking om energetische redenen mits de genoemde beperkingen in acht worden genomen.

De Raad volgde het rapport van de deskundige omdat het blijk gaf van zorgvuldig onderzoek en inzichtelijk en consistent was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep nam alle aanvullende beperkingen over en legde ze vast in nieuwe FML-en van 29 november 2024, geldig vanaf respectievelijk 1 november 2020 en 19 augustus 2021. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep stelde vervolgens vast dat de geselecteerde functies voor appellant geschikt bleven en dat de arbeidsongeschiktheidsklassen niet wijzigden. De mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 39,81 procent per 1 november 2020 en op 40,86 procent per 19 augustus 2021, beide vallend in de klasse 35 tot 45 procent.

De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden. Omdat het bestreden besluit pas in hoger beroep van een toereikende onderbouwing was voorzien, veroordeelde de Raad het Uwv in de proceskosten van in totaal 3.736 euro en in de vergoeding van het griffierecht van 185 euro.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

Appellant behaalde geen verlaging van zijn arbeidsongeschiktheidsklasse: de Raad stelde die vast op 35 tot 45 procent voor zowel 1 november 2020 als 19 augustus 2021. Hoewel de onafhankelijk deskundige aanvullende beperkingen vaststelde, bleven de geselecteerde functies volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geschikt. Omdat het Uwv zijn besluit pas in hoger beroep toereikend onderbouwde, ontvangt appellant wel een proceskostenvergoeding van € 3.736,- en wordt het betaalde griffierecht van € 185,- terugbetaald.

Vragen over deze uitspraak

Waarom kreeg appellant toch proceskosten vergoed als hij het hoger beroep verloor?

Hoewel het hoger beroep inhoudelijk niet slaagde, was het bestreden besluit pas in hoger beroep voorzien van een toereikende onderbouwing via rapporten van 28 en 29 november 2024. De Raad zag daarin aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep, in totaal € 3.736,-.

Welke extra beperkingen stelde de onafhankelijk deskundige vast die het Uwv aanvankelijk had gemist?

De deskundige achtte zwaardere beperkingen aangewezen op repeterend kracht zetten, frequent buigen, langdurig boven schouderhoogte werken, repeterend reiken en knielen/hurken. Daarnaast wees zij beperkingen aan bij het hanteren van emotionele problemen van derden, intensieve samenwerking en intensieve klant- en/of patiëntcontacten.

Veranderde de arbeidsongeschiktheidsklasse door de aanvullende beperkingen van de deskundige?

Nee, de klasse bleef 35 tot 45 procent voor beide data. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 39,81% per 1 november 2020 en op 40,86% per 19 augustus 2021, en concludeerde dat de geselecteerde functies geschikt bleven.

Mocht de factuur van het Expertise Instituut van € 2.147,75 worden vergoed?

Nee. De Raad wees vergoeding van die factuur af omdat een rapport van het Expertise Instituut van rond die datum niet was ingebracht in de procedure.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket