Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

Wajong-uitkering terecht geweigerd omdat appellant bij laattijdige aanvraag niet verscheen op spreekuur en geen bewijs leverde van ontbreken arbeidsvermogen

Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Laattijdige aanvraag. Terecht geoordeeld en inzichtelijk gemotiveerd dat de belastbaarheid in de in geding zijnde…

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:323Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
18 maart 2026

In het kort

  • Appellant diende op 17 juni 2022 een laattijdige Wajong-aanvraag in; bij zo'n aanvraag ligt de bewijslast van het ontbreken van arbeidsvermogen bij de aanvrager
  • Appellant verscheen driemaal niet op het spreekuur van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waardoor de belastbaarheid in de relevante periode niet kon worden
  • Uit het dienstverband bij Stichting [naam] van september 2003 tot februari 2005 leidde het Uwv af dat appellant in die periode arbeidsvermogen had.
  • Appellant leverde geen objectief bewijs dat hij feitelijk geen werkzaamheden verrichtte bij Stichting [naam] en daartoe ook niet in staat was.
  • De Centrale Raad van Beroep bevestigde op 18 maart 2026 de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2025 en liet de weigering van de Wajong-uitkering i

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellant, geboren in 1981, diende op 17 juni 2022 een laattijdige aanvraag in voor een Wajong-uitkering. Hij stelde dat hij op zijn achttiende verjaardag en in de vijf jaar daarna (de Amberperiode) duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikte. Het Uwv weigerde de uitkering, omdat uit de beschikbare gegevens bleek dat appellant van september 2003 tot februari 2005 een dienstverband had bij Stichting [naam], waaruit werd afgeleid dat hij in die periode arbeidsvermogen had.

Bij de beoordeling stond centraal dat het om een laattijdige aanvraag gaat. De rechtbank Rotterdam stelde voorop dat bij een laattijdige aanvraag de bewijslast van de aanwezigheid van een beperking én het ontbreken van arbeidsvermogen bij de aanvrager ligt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kon op basis van de beschikbare informatie niet vaststellen wat de belastbaarheid van appellant was in de relevante periode. Appellant werd driemaal uitgenodigd voor een medisch spreekuur, maar verscheen geen enkele keer.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en voegt toe dat het ontbreken van een onderbouwde medische beoordeling rechtstreeks het gevolg is van het niet verschijnen van appellant. Daardoor kon de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen antwoord geven op de vraag of appellant in de betreffende periode over arbeidsvermogen beschikte en, zo nee, wanneer de afwezigheid ervan was ingetreden. Volgens vaste rechtspraak komt dit voor risico van de laattijdige aanvrager.

Appellant stelde in hoger beroep dat hij feitelijk nooit werkzaamheden heeft verricht voor Stichting [naam] en dat zijn gedrag een aanwijzing is dat hij al vanaf zijn achttiende jaar recht had op een Wajong-uitkering. Ter onderbouwing legde hij een verklaring van zijn moeder over. De Raad verwierp dit: objectief bewijs dat hij feitelijk geen werkzaamheden heeft verricht en daartoe ook niet in staat was, ontbreekt. Die bewijslast rustte op appellant. Het hoger beroep slaagt niet en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

De uitkering is geweigerd omdat appellant als laattijdige aanvrager niet heeft kunnen aantonen dat hij in de Amberperiode geen arbeidsvermogen had. Het driemaal niet verschijnen op het spreekuur van de verzekeringsarts bezwaar en beroep werkte daarbij direct tegen appellant: de Raad oordeelt dat dit voor zijn risico komt. Wie een laattijdige Wajong-aanvraag doet, moet zelf medische informatie uit de relevante periode aanleveren en meewerken aan het medisch onderzoek; zonder die medewerking en zonder objectief bewijs kan het ontbreken van arbeidsvermogen niet worden vastgesteld.

Vragen over deze uitspraak

Waarom verloor appellant deze Wajong-zaak?

Appellant kon niet aantonen dat hij in de relevante periode geen arbeidsvermogen had. Hij verscheen driemaal niet op het spreekuur van de verzekeringsarts, er was nauwelijks objectieve medische informatie, en hij leverde geen bewijs dat hij feitelijk niet werkte bij Stichting [naam]. Die bewijslast lag bij hem als laattijdige aanvrager.

Wat is het gevolg van het niet verschijnen op het spreekuur van de verzekeringsarts?

Het niet verschijnen maakte het onmogelijk om de belastbaarheid in de in geding zijnde periode vast te stellen. Volgens vaste rechtspraak komt dit voor risico van de laattijdige aanvrager, aldus de Raad.

Telt een dienstverband mee als bewijs van arbeidsvermogen, ook als de werknemer zegt niet feitelijk te hebben gewerkt?

Ja, tenzij de werknemer objectief bewijs levert dat hij feitelijk geen werkzaamheden heeft verricht en daartoe ook niet in staat was. Appellant leverde dat bewijs niet; de verklaring van zijn moeder volstond daarvoor niet.

Wat is de Amberperiode in de context van de Wajong?

De Amberperiode is de periode van vijf jaar na de achttiende verjaardag van de aanvrager. Binnen die periode moet de aanvrager aantonen dat hij beschikte over een beperking én dat hij duurzaam geen arbeidsvermogen had om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket