Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

Wajong-uitkering terecht geweigerd omdat appellant in de periode van zijn achttiende tot zijn 23e jaar over arbeidsvermogen beschikte

Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Laattijdige aanvraag. Appellante beschikte in de periode van zijn achttiende tot zijn 23e jaar over arbeidsvermogen.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:64Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
14 januari 2026

In het kort

  • Het Uwv stelde in hoger beroep alsnog vast dat appellant in de Wajong-relevante periode van 2013 tot 2018 over arbeidsvermogen beschikte, waardoor de Wajong-wei
  • De verzekeringsarts bezwaar en beroep kon de ernst van de beperkingen in 2013-2018 niet vaststellen; de huisarts bracht appellant pas in februari 2022 voor het
  • Appellant werkte van 2009 tot 2021 als krantenbezorger, vijf maanden in 2014 als ondersteuner/schoonmaker en van mei 2017 tot augustus 2018 als postbezorger, wa
  • Het bestreden besluit kende een motiveringsgebrek (artikel 7:12 Awb), maar de Raad passeerde dit met artikel 6:22 Awb omdat appellant daardoor niet is benadeeld
  • Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 3.736 euro en moet het griffierecht van 189 euro vergoeden.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellant, geboren in 1995, vroeg op 31 maart 2023 een Wajong-uitkering aan wegens pijn, vermoeidheid, eetproblemen en psychische klachten. Het Uwv stelde bij het primaire besluit vast dat appellant op de datum van de aanvraag geen arbeidsvermogen had, maar dat dit niet duurzaam was. In bezwaar bleef het Uwv bij die conclusie. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep nam het Uwv een nieuw standpunt in. Omdat sprake was van een laattijdige aanvraag, onderzocht het Uwv alsnog wanneer het arbeidsvermogen verloren was gegaan. Op basis van rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 mei 2025 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 juni 2025 concludeerde het Uwv dat appellant in de Wajong-relevante periode van zijn achttiende tot zijn 23e jaar (2013-2018) over arbeidsvermogen beschikte. Daarmee voldoet hij niet aan de voorwaarden van artikel 1a:1, eerste lid aanhef en onder a, en tweede lid, van de Wajong.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit nadere standpunt. Medisch oordeelde de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat uit de beschikbare informatie niet blijkt dat appellant in de relevante periode niet vier uur per dag belastbaar was of niet een uur aaneengesloten kon werken. Dat de huisarts in 2013 een dysthyme stoornis en darmklachten registreerde, maakt dat niet anders: een diagnose betekent niet dat de beperkingen die daaruit voortvloeien zonder meer vastgesteld kunnen worden. De medische situatie in 2022 was wel goed in kaart te brengen, omdat de huisarts appellant in februari 2022 voor het eerst zag wegens ernstige psychische problematiek.

Arbeidskundig wees de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op de feitelijke werkzaamheden die appellant in de periode 2013-2018 heeft verricht: krantenbezorger van 2009 tot 2021, ondersteuner/schoonmaker in een revalidatiecentrum gedurende vijf maanden in 2014, en postbezorger van mei 2017 tot augustus 2018. Daarmee toonde appellant in de praktijk aan over basale werknemersvaardigheden te beschikken. De Raad achtte die toelichting niet onjuist.

Omdat het bestreden besluit pas in hoger beroep toereikend gemotiveerd was op het punt van het arbeidsvermogen in de relevante periode, was sprake van schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad passeerde dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat appellant daardoor niet is benadeeld. Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal 3.736 euro.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

De Wajong-uitkering is definitief geweigerd omdat de Raad heeft geoordeeld dat appellant in de periode van zijn 18e tot zijn 23e jaar over arbeidsvermogen beschikte. Zijn feitelijke werkzaamheden in die periode, waaronder vijf maanden als ondersteuner/schoonmaker in 2014 en ruim een jaar als postbezorger van mei 2017 tot augustus 2018, zijn daarvoor doorslaggevend geacht. Hoewel het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevatte, heeft de Raad dat gebrek gepasseerd en het Uwv veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van 3.736 euro en tot vergoeding van het griffierecht van 189 euro.

Vragen over deze uitspraak

Waarom kreeg appellant geen Wajong, terwijl hij op de aanvraagdatum geen arbeidsvermogen had?

Appellant had het arbeidsvermogen pas verloren ná zijn 23e jaar, buiten de Wajong-relevante periode. Voor een Wajong-uitkering moet het arbeidsvermogen verloren zijn gegaan op de 18e verjaardag of binnen vijf jaar daarna. Omdat appellant tussen zijn 18e en 23e jaar aantoonbaar werkte, voldoet hij niet aan die voorwaarde.

Wat betekent een laattijdige Wajong-aanvraag voor de beoordeling?

Bij een laattijdige aanvraag moet het Uwv onderzoeken wanneer het arbeidsvermogen verloren is gegaan, niet alleen of het op de aanvraagdatum ontbreekt. Als dat verlies buiten de Wajong-relevante periode valt, is de vraag naar duurzaamheid op de aanvraagdatum niet meer relevant.

Telt een diagnose uit het verleden automatisch mee als bewijs van geen arbeidsvermogen?

Nee. De Raad oordeelt dat het noemen van een diagnose niet betekent dat de beperkingen die daaruit voortvloeien zonder meer vastgesteld kunnen worden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep moet de ernst van de beperkingen kunnen onderbouwen aan de hand van beschikbare medische informatie uit die periode.

Welk effect had het motiveringsgebrek in het bestreden besluit op de uitkomst?

Geen effect op de uitkomst. De Raad passeerde het gebrek met artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat appellant daardoor niet is benadeeld. Het Uwv werd wel veroordeeld in de proceskosten van 3.736 euro.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket