Centrale Raad van Beroep
Wajong-uitkering ingaat op aanvraagdatum en niet met terugwerkende kracht vanaf achttiende verjaardag
Toekennen Wajong-uitkering per 17 april 2020. Appellant wilde met terugwerkende kracht vanaf zijn achttiende verjaardag een uitkering ontvangen.
- ECLI-nummer
- ECLI:NL:CRVB:2025:1807Lees de uitspraak
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Uitspraakdatum
- 10 december 2025
In het kort
- Het Uwv heeft appellant per 17 april 2020 een Wajong-uitkering toegekend, nadat een door de rechtbank benoemde psychiater F.B. van der Wurff op 26 augustus 2024
- Op grond van artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong ontstaat het recht op uitkering op de dag van de aanvraag; toekenning met terugwerkende kracht tot de acht
- De stelling dat appellant in 2002 al een Wajong-uitkering had aangevraagd, is niet gebleken.
- Het beroep op de kennelijke-hardheidsbepaling van artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong faalt omdat appellant dit niet heeft onderbouwd.
- Artikel 3:29 van de Wajong (oud) is op appellant niet van toepassing omdat voor hem de Wajong 2015 geldt.
Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?
Appellant, geboren in 1984, vroeg op 17 april 2020 een Wajong-uitkering aan vanwege schizofrenie en een bipolaire stoornis. Na een tweede aanvraag in 2022 en een door de rechtbank benoemde psychiatrisch deskundige kende het Uwv alsnog per 17 april 2020 een Wajong-uitkering toe. Appellant bestreed deze ingangsdatum en stelde dat de uitkering met terugwerkende kracht had moeten worden toegekend vanaf zijn achttiende verjaardag in 2002, omdat uit het deskundigenrapport bleek dat de stoornissen al vóór zijn achttiende jaar aanwezig waren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank Midden-Nederland. Op grond van artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong ontstaat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op de dag waarop de aanvraag wordt ingediend. Toekenning met terugwerkende kracht tot 2002 is op basis van deze bepaling niet mogelijk.
De stelling van appellant dat hij in 2002 al een Wajong-uitkering had aangevraagd, is niet gebleken. Het beroep op artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong, dat het Uwv de bevoegdheid geeft een uitkering ambtshalve toe te kennen bij kennelijke hardheid, slaagt evenmin. Appellant heeft niet onderbouwd waarom in zijn geval sprake zou zijn van kennelijke hardheid.
Het subsidiaire standpunt van appellant, dat de uitkering één jaar vóór de aanvraag van 17 april 2020 had moeten ingaan op grond van artikel 3:29 van de Wajong, is door de rechtbank verworpen omdat die bepaling behoort tot de oude Wajong en niet van toepassing is op appellant, voor wie de Wajong 2015 geldt. De Raad onderschrijft dat oordeel. De uitspraak van de Centrale Raad van 24 februari 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BL5751) brengt geen verandering, omdat die zaak de oude Wajong betreft met andere wet- en regelgeving.
Het hoger beroep slaagt niet. De toekenning van de Wajong-uitkering per 17 april 2020 blijft in stand. Appellant ontvangt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.
Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?
De Wajong-uitkering gaat in op de datum waarop de aanvraag bij het Uwv is ontvangen, niet op de achttiende verjaardag. Hoe ernstig de psychische klachten ook waren vóór de aanvraag, de Wajong 2015 biedt geen grondslag om de uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Een beroep op kennelijke hardheid, waarmee het Uwv ambtshalve eerder kan toekennen, vereist concrete onderbouwing van de bijzondere situatie.
Vragen over deze uitspraak
Waarom krijgt appellant de Wajong niet met terugwerkende kracht vanaf zijn 18e?
Artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong bepaalt dat het recht op uitkering ontstaat op de dag van de aanvraag. Omdat appellant de aanvraag op 17 april 2020 indiende, is dat de vroegst mogelijke ingangsdatum. De wet biedt geen ruimte om daarvan af te wijken.
Kan het Uwv de Wajong toch eerder laten ingaan als de situatie erg schrijnend is?
Het Uwv heeft die bevoegdheid op grond van artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong bij kennelijke hardheid, maar de Raad oordeelt dat appellant niet heeft onderbouwd waarom in zijn geval sprake is van kennelijke hardheid. De bevoegdheid bestaat dus wel, maar werd hier niet toegepast.
Geldt artikel 3:29 van de Wajong niet, zodat de uitkering een jaar eerder kan ingaan?
Nee, artikel 3:29 van de Wajong behoort tot de oude Wajong. Voor appellant is de Wajong 2015 van toepassing, en die kent die terugwerkende-krachtbepaling niet.
Wat was de rol van de psychiater in deze zaak?
De rechtbank benoemde F.B. van der Wurff, psychiater, als deskundige. Diens rapport van 26 augustus 2024 gaf het Uwv aanleiding om alsnog per 17 april 2020 een Wajong-uitkering toe te kennen. Over de vraag van de ingangsdatum vóór die datum veranderde het rapport niets.
Verwante uitspraken
- Wajong-uitkering terecht geweigerd omdat appellant in de periode van zijn achttiende tot zijn 23e jaar over arbeidsvermogen beschikte14 januari 2026
- Wajong-uitkering terecht geweigerd omdat appellante ondanks toegenomen beperkingen arbeidsvermogen had op en na haar achttiende verjaardag28 januari 2026
- Uwv heeft ten onrechte Wajong-uitkering geweigerd omdat de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen onvoldoende is onderbouwd7 mei 2026


