Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

Vertrouwensbeginsel verplicht Uwv tot WIA-uitkering ondanks ontbreken toegenomen beperkingen per 24 oktober 2019

Geen sprake van toegenomen beperkingen die maken dat aanspraak bestaat op WIA-uitkering per 24 oktober 2019.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:494Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
23 april 2026

In het kort

  • De Raad oordeelt dat de beperkingen van appellant per 24 oktober 2019 ten opzichte van de FML van 10 juli 2015 niet zijn toegenomen, zodat artikel 57 lid 1 sub
  • Het Uwv erkende in hoger beroep dat het voornemen van 24 april 2024 een toezegging oplevert: appellant heeft recht op een vervolguitkering gebaseerd op een arbe
  • De Raad weegt het belang van appellant bij nakoming van de toezegging zwaarder dan het belang van het Uwv bij het voorkomen van een uitkering in strijd met het
  • Het Uwv moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen; beroep daartegen kan uitsluitend bij de Centrale Raad van Beroep worden ingesteld.
  • Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 4.203,- en vergoedt het griffierecht van € 194,-.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellant, voormalig magazijnmedewerker en later operator, meldde zich op 24 oktober 2019 bij het Uwv met toegenomen klachten aan zijn rechtervoet. Het Uwv weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat de beperkingen ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling per 10 mei 2016 niet waren toegenomen, wat een vereiste is op grond van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, van de Wet WIA (herleving binnen vijf jaar uit dezelfde oorzaak).

De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreef in het rapport van 3 april 2024 het standpunt dat sprake was van een ongewijzigde belastbaarheid, mede op basis van informatie van een orthopedisch chirurg en een revalidatiearts. In het rapport van 14 januari 2026 licht de verzekeringsarts toe dat de rechterenkel weliswaar beperkt belastbaar is en dat appellant door zijn laatste werk de belastbaarheid heeft overschreden, maar dat de reeds geldende beperkingen (lopen en staan elk circa 30 minuten, lopen en staan tijdens het werk elk twee tot drie uur) voldoende ruimte bieden om tot afname van klachten te komen. De Raad acht de medische beoordeling inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd en wijst het verzoek om een deskundige af. Omdat geen toename van beperkingen is vastgesteld, komt het Uwv niet toe aan arbeidskundig onderzoek.

Tijdens de bezwaarfase verstuurde het Uwv op 24 april 2024 een voornemen waarin stond dat appellant per 24 oktober 2019 recht heeft op een vervolguitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 42,22%. In het bestreden besluit van 9 augustus 2024 trok het Uwv dit voornemen in. In hoger beroep erkent het Uwv dat dit voornemen een toezegging oplevert die aan hem is toe te rekenen.

De Raad toetst vervolgens of het Uwv gehouden is die toezegging na te komen via een belangenafweging. Het belang van het Uwv is het voorkomen van een uitkering in strijd met het legaliteitsbeginsel. De Raad oordeelt dat dit belang, bij afwezigheid van concrete bedreigde belangen van enige betekenis, minder zwaar weegt dan het belang van appellant bij nakoming. De omstandigheid dat de uitkering over een langere periode zou lopen, is niet doorslaggevend. Ook het feit dat appellant geen aantoonbare schade heeft geleden door op het voornemen te vertrouwen, maakt de uitkomst van de belangenafweging niet anders. Het Uwv moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen en appellant per 24 oktober 2019 een WIA-uitkering toekennen.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

Het Uwv moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen en appellant per 24 oktober 2019 een WIA-uitkering toekennen op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 42,22%, omdat de toezegging in het voornemen van 24 april 2024 voor het Uwv bindend is geoordeeld. Het Uwv wees er eerder zelf op dat deze uitkering vanaf 24 oktober 2019 niet tot uitbetaling komt vanwege inkomsten uit arbeid van de voormalig werkgever; de uitspraak zegt niet hoe dat in de nieuwe beslissing wordt verwerkt.

Vragen over deze uitspraak

Kan iemand een WIA-uitkering krijgen op grond van het vertrouwensbeginsel, ook als er medisch geen recht op bestaat?

Ja, in dit geval wel. De Raad oordeelt dat het Uwv gehouden is de toezegging na te komen omdat het belang van appellant bij nakoming zwaarder weegt dan het belang van het Uwv bij het voorkomen van een uitkering in strijd met het legaliteitsbeginsel. Doorslaggevend is dat er geen concrete bedreigde belangen van derden of andere zwaarwegende belangen tegenover staan.

Wanneer is een voornemen van het Uwv een bindende toezegging?

Het Uwv erkende zelf in hoger beroep dat het voornemen van 24 april 2024 een aan het Uwv toe te rekenen toezegging vormt. De Raad gaat daarin mee en stelt vast dat appellant de gerechtvaardigde verwachting mocht hebben dat per 24 oktober 2019 een vervolguitkering op grond van de Wet WIA zou worden toegekend.

Moet de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant altijd zelf op een spreekuur zien?

Niet per se. De Raad accepteert hier een beoordeling op basis van de stukken, omdat appellant eerder al was gezien en onderzocht door een andere verzekeringsarts bezwaar en beroep, en het rapport van 3 april 2024 uitsluitend gericht was op één aspect van de beoordeling, de toenameclaim.

Is arbeidskundig onderzoek verplicht als er geen toename van beperkingen wordt vastgesteld?

Nee. De Raad bevestigt dat wanneer geen sprake is van toename van medische beperkingen, het Uwv niet toekomt aan beoordeling van de arbeidskundige aspecten. Een arbeidskundig onderzoek is in dat geval niet nodig.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket