Centrale Raad van Beroep
Afwijzing vergoeding pilotenopleiding als re-integratievoorziening is rechtmatig; beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet
Afwijzing aanvraag om een re-integratievoorziening. Vergoeding kosten opleiding tot piloot. Beleid. Opleiding niet noodzakelijk voor arbeidsinschakeling. Gelet op de beoordelingsruimte die art. 10 lid
- ECLI-nummer
- ECLI:NL:CRVB:2026:954
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Uitspraakdatum
- 21 juli 2026
De kern van de uitspraak
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en vroeg het dagelijks bestuur van Samenwerking De Bevelanden om vergoeding van de kosten van een opleiding tot piloot, aanvankelijk geraamd op circa € 15.000 in Iran en later vastgesteld op ongeveer € 67.000, dan wel een bijdrage van € 37.500. Het dagelijks bestuur wees de aanvraag af omdat de opleiding niet noodzakelijk werd geacht voor de arbeidsinschakeling van appellant en omdat appellant was ingedeeld in trede 2 van de participatieladder, wat staat voor een afstand tot de arbeidsmarkt van meer dan twaalf maanden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het dagelijks bestuur de aanvraag in redelijkheid mocht weigeren. Artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet geeft het dagelijks bestuur expliciet beoordelingsruimte om te bepalen welke voorzieningen noodzakelijk zijn voor arbeidsinschakeling. De Raad stelt vast dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij uitsluitend via een pilotenopleiding zou kunnen instromen in arbeid. Wat appellant zelf graag wil is daarvoor niet doorslaggevend. De indeling in trede 2 en de budgetaire bezwaren behoeven gelet op dit oordeel geen verdere bespreking.
Appellant deed ook een beroep op het vertrouwensbeginsel. De Raad verwerpt dit beroep. De vorige klantmanager had appellant al in 2020 expliciet meegedeeld dat de kosten van een pilotenopleiding in het buitenland niet zouden worden vergoed. De opvolgend klantmanager ondersteunde appellant weliswaar bij het verkennen van mogelijkheden, onder meer in het kader van een mogelijke Bbz-aanvraag, maar gaf tegelijk aan geen garantie te kunnen geven voor een bijdrage van 35% van de leenkosten. Dat zij zich daarvoor hard wilde maken, levert geen gerechtvaardigde verwachting op dat het dagelijks bestuur de volledige kosten of een deel daarvan zou vergoeden.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De afwijzing van de aanvraag blijft in stand. Appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.
Voor arbeidsdeskundigen is relevant dat de Raad de beoordelingsruimte van het bestuursorgaan bij de noodzakelijkheidsbeoordeling van scholing zwaar laat wegen, en dat de eigen voorkeur van de betrokkene voor een bepaalde opleiding die ruimte niet doorbreekt.


