Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

Terugvordering te hoog WIA-voorschot blijft in stand na matiging van 25% wegens dringende redenen

Terugvordering voorschot WIA-uitkering. Het Uwv heeft een verlaging van 25% op het bedrag toegepast vanwege eigen aandeel.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2025:1585Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
22 oktober 2025

In het kort

  • Het Uwv vorderde aanvankelijk € 3.938,87 bruto terug aan te veel betaalde WIA-voorschotten over de periode 24 februari 2022 tot en met 30 september 2022.
  • In hoger beroep verlaagde het Uwv de terugvordering wegens dringende redenen met 25% naar € 2.954,15 bruto, omdat het bij het vaststellen van het voorschot ten
  • De Centrale Raad van Beroep past de verruimde uitleg van het begrip dringende reden uit zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:726) toe als o
  • Appellante ontving naast het volledige voorschot van € 1.729,34 bruto per maand ook meer dan € 1.200,- bruto per maand aan inkomsten, wat de Raad zwaar laat weg
  • De terugvordering van € 2.954,15 bruto blijft in stand; appellante kreeg wel het griffierecht van € 188,- terug.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Het Uwv kende appellante in februari 2022 een voorschot op een WIA-uitkering toe van € 1.729,34 bruto per maand. Na de sociaal-medische beoordeling werd een loongerelateerde WGA-uitkering vastgesteld van € 876,27 bruto per maand. Over de periode 24 februari 2022 tot en met 30 september 2022 had appellante daardoor € 3.938,87 bruto te veel ontvangen. Het Uwv vorderde dit bedrag terug.

In hoger beroep nam het Uwv op 21 juni 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar. Op grond van dringende redenen matigde het Uwv de terugvordering met 25%, tot € 2.954,15 bruto. Het Uwv erkende dat het bij de vaststelling van het voorschot geen rekening had gehouden met de inkomsten uit arbeid die appellante zelf in de WIA-aanvraag had vermeld, namelijk zestien uur per week. Het Uwv had contact kunnen opnemen met appellante en een schatting van de inkomsten kunnen maken, waardoor de terugvordering voorkomen of beperkt had kunnen worden.

Appellante betoogde dat het Uwv geheel van terugvordering had moeten afzien. Zij wees erop dat het Uwv haar werkzaamheden kende, dat het voorschotbesluit de indruk wekte dat zij niets hoefde terug te betalen, en dat de stress van de terugvordering schadelijk was voor haar medische situatie.

De Raad verwierp dit standpunt. Hij paste de bij tussenuitspraak van 18 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:726) verruimde uitleg van het begrip dringende reden toe: een open norm waarbij het Uwv alle relevante feiten en omstandigheden moet afwegen, waaronder zowel het eigen aandeel van het Uwv als het aandeel van de betrokkene. De Raad oordeelde dat het Uwv alle relevante omstandigheden voldoende had meegewogen. Appellante had moeten begrijpen dat de voorschotten te hoog waren, omdat uit het voorschotbesluit van 28 februari 2022 bleek dat geen rekening was gehouden met haar inkomsten, en haar totale maandelijkse inkomsten aanzienlijk hoger waren dan haar eerdere salaris. De passage in het voorschotbesluit over het niet hoeven terugbetalen bij een late beoordeling van de gezondheid wekte, gelet op de aanwezige inkomsten uit arbeid, geen gerechtvaardigd vertrouwen dat niets terugbetaald hoefde te worden. Ook heeft de terugvordering niet geleid tot ernstige financiële of sociale gevolgen. De terugvordering van € 2.954,15 bruto bleef in stand.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

De terugvordering van € 2.954,15 bruto aan te veel ontvangen WIA-voorschotten blijft in stand. De Raad oordeelde dat appellante had moeten begrijpen dat het voorschot te hoog was, omdat uit het voorschotbesluit bleek dat geen rekening was gehouden met haar inkomsten uit arbeid, en haar totale maandinkomen aanzienlijk hoger was dan haar eerdere salaris. Dat het Uwv een fout heeft gemaakt bij het vaststellen van het voorschot, leidde wel tot een matiging van 25%, maar niet tot volledig afzien van terugvordering.

Vragen over deze uitspraak

Wanneer moet het Uwv geheel afzien van terugvordering van een WIA-voorschot?

Volledig afzien is alleen aan de orde als het Uwv bij afweging van alle relevante feiten en omstandigheden tot de conclusie komt dat terugvordering een onevenredige uitkomst oplevert. Daarbij worden zowel het eigen aandeel van het Uwv als dat van de betrokkene meegewogen. Dat de betrokkene had kunnen weten dat het voorschot te hoog was, weegt zwaar tegen volledig afzien.

Kan een werknemer erop vertrouwen dat een WIA-voorschot niet wordt teruggevorderd als het Uwv te laat was met de beoordeling?

Nee, niet als er tegelijkertijd sprake is van inkomsten uit arbeid. De Raad oordeelde dat de mededeling in het voorschotbesluit dat een voorschot meestal niet hoeft te worden terugbetaald bij een late beoordeling, niet de indruk wekt dat niets terugbetaald hoeft te worden wanneer de uiteindelijke uitkering lager is door inkomsten uit arbeid.

Hoe beoordeelt de Raad het eigen aandeel van het Uwv bij een fout in de hoogte van een voorschot?

Het Uwv moet zijn eigen aandeel bij de afweging van dringende redenen betrekken en dit kan leiden tot matiging van de terugvordering. In deze zaak resulteerde het eigen aandeel van het Uwv in een matiging van 25%, omdat het Uwv bij de vaststelling van het voorschot geen rekening had gehouden met inkomsten die appellante zelf had opgegeven.

Maakt de medische situatie van een betrokkene dat terugvordering van een te hoog WIA-voorschot achterwege moet blijven?

Niet zonder meer. De Raad liet dit argument niet slagen omdat niet was gebleken dat de terugvordering had geleid tot zodanig ernstige financiële of sociale gevolgen dat sprake was van een onevenredige uitkomst.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket