Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

Herziening en terugvordering WAO- en WIA-uitkering na schending inlichtingenplicht blijft in stand ondanks strafrechtelijke vrijspraak voor inkomensgenieten

Herziening en terugvordering WIA-uitkering. Vaststelling (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid en terugvordering WAO-uitkering.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:442Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
8 april 2026

In het kort

  • Appellanten schonden hun inlichtingenplicht door het bestuurderschap van hun sportvereeniging niet te melden; het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde hen
  • Van appellant wordt 38.525,23 euro aan WIA-uitkering teruggevorderd over de periode 29 september 2015 tot en met 31 december 2019.
  • Van appellante wordt 35.724,89 euro aan WAO-uitkering teruggevorderd over dezelfde periode.
  • De strafrechtelijke vrijspraak voor het genieten van inkomsten uit bestuurswerkzaamheden heeft geen gevolg voor de bestuursrechtelijke herziening, omdat het bes
  • Vrijwilligersvergoedingen zijn niet als aftrekpost aanvaard omdat de overgelegde kwitanties niet stroken met de grootboekmutatiekaarten en achteraf kunnen zijn

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellanten ontvingen respectievelijk een WAO-uitkering (appellante, sinds 2000, klasse 80-100%) en een WGA-uitkering (appellant, vanaf 2011). Na een melding van de gemeente Arnhem deed het Uwv onderzoek naar hun werkzaamheden voor een vereniging gericht op kracht- en vechtsport en danslessen, waarvan zij beiden bestuurder waren. Appellanten hadden dit niet gemeld bij het Uwv. Uit het onderzoek bleek dat de vereniging tussen 2015 en 2019 ruim 162.000 euro aan gemeentelijke subsidies en bijna 31.500 euro aan contributie had ontvangen, terwijl aanzienlijke bedragen naar de privérekeningen van appellanten en hun minderjarige zoon waren overgeschreven.

Het Uwv trok beide uitkeringen in met ingang van 29 september 2015 op de grond dat het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld. Na tussenuitspraken van de rechtbank Gelderland, die oordeelde dat het Uwv gehouden was schattenderwijs de inkomsten vast te stellen, paste het Uwv zijn standpunt subsidiair aan. Het resultaat van die schatting leidde tot een terugvordering van 38.525,23 euro van appellant en 35.724,89 euro van appellante over de periode 29 september 2015 tot en met 31 december 2019. De rechtbank bevestigde dit subsidiaire standpunt en stelde de herziene uitkering en fictieve mate van arbeidsongeschiktheid zelf vast.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. De Raad onderschrijft dat appellanten hun inlichtingenplicht hebben geschonden: het bestuurderschap van de vereniging had als op geld waardeerbare werkzaamheid gemeld moeten worden. Het achteraf aanleveren van administratie heft de schending niet op. De Raad onderschrijft ook de schatting: alleen uitgaven die onmiskenbaar aan de vereniging zijn te relateren tellen mee als aftrekpost. Uitgaven bij onder meer McDonalds, supermarkten en voor autokosten zijn terecht buiten beschouwing gelaten. De kwitanties voor vrijwilligersvergoedingen zijn niet bruikbaar omdat zij niet stroken met de grootboekmutatiekaarten en achteraf kunnen zijn opgemaakt.

De strafrechtelijke vrijspraak voor het genieten van inkomsten uit bestuurswerkzaamheden leidt niet tot een ander oordeel: het strafrecht stelt strengere bewijseisen dan het bestuursrecht, waar voldoende is dat het Uwv aannemelijk maakt dat inkomsten zijn genoten. Ten aanzien van de dringende reden oordeelt de Raad dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien van herziening of terugvordering af te zien, nu de oorzaak geheel aan appellanten is te wijten en van onnodig stilzitten door het Uwv tussen het gesprek in augustus 2019 en de besluiten in december 2019 geen sprake is.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

De terugvordering van 38.525,23 euro (appellant) respectievelijk 35.724,89 euro (appellante) over de periode 29 september 2015 tot en met 31 december 2019 blijft in stand. Een strafrechtelijke vrijspraak voor het genieten van inkomsten uit bestuurswerkzaamheden biedt in de bestuursrechtelijke procedure geen bescherming, omdat het Uwv slechts aannemelijk hoeft te maken dat inkomsten zijn genoten. Het Uwv dient op grond van de uitspraak van de rechtbank nog nadere beslissingen op bezwaar te nemen op de bezwaren tegen de primaire invorderingsbesluiten (besluiten 3 en 6).

Vragen over deze uitspraak

Waarom wordt de strafrechtelijke vrijspraak voor inkomensgenieten niet overgenomen door de bestuursrechter?

In de bestuursrechtelijke procedure worden minder strenge eisen gesteld aan het bewijs dan in de strafrechtelijke procedure. Voor herziening en terugvordering is voldoende dat het Uwv aannemelijk maakt dat inkomsten zijn genoten; enige mate van twijfel hoeft daaraan niet in de weg te staan. Het gerechtshof sprak vrij bij gebrek aan nader onderzoek, maar het dossier bevatte volgens het hof zelf sterke aanwijzingen dat gelden voor andere doeleinden waren aangewend.

Wat telt mee als bewijs dat uitgaven echt voor de vereniging waren?

Alleen uitgaven die onmiskenbaar aan de vereniging zijn te relateren worden als aftrekpost geaccepteerd. De bewijslast ligt bij de uitkeringsgerechtigde: het is aan appellanten om aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat uitgaven aan de vereniging kunnen worden gerelateerd, niet aan het Uwv om het tegendeel te bewijzen.

Kan een dringende reden de terugvordering voorkomen als het Uwv lang heeft gewacht met besluiten?

In dit geval niet. De Raad oordeelt dat van onnodig stilzitten door het Uwv geen sprake is: na het gesprek met appellanten in augustus 2019 moest het onderzoeksrapport nog worden opgesteld en moest vervolgens de besluitvorming worden voorbereid, wat de periode tot december 2019 verklaart. Bovendien is de oorzaak van de herziening en terugvordering geheel te wijten aan appellanten zelf.

Heft het achteraf aanleveren van administratie de schending van de inlichtingenplicht op?

Nee. Het achteraf verstrekken van informatie betekent niet dat appellanten daarmee aan hun inlichtingenplicht hebben voldaan. Bovendien waren de door appellanten in het kader van het onderzoek overgelegde gegevens zeer gebrekkig.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket