Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

Pgb-inkomsten terecht volledig toegerekend aan WAO-gerechtigde; terugvordering van € 32.894,17 niet onevenredig na matiging wegens dringende redenen

Terugvordering WAO-uitkering. Appellante ontving inkomsten vanuit het pgb van haar dochter en heeft dit niet doorgegeven.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:148Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
11 februari 2026

In het kort

  • Het Uwv heeft de pgb-inkomsten van appellante (totaal € 105.435,- over 2015 tot en met medio 2020) terecht volledig aan haar toegerekend, omdat de zorgovereenko
  • De terugvordering is door het Uwv wegens dringende redenen verlaagd van € 71.507,64 bruto naar € 32.894,17 bruto; de Raad acht deze uitkomst niet onevenredig.
  • De aanslag inkomstenbelasting 2013 van de echtgenoot met € 1.620,- als resultaat overige werkzaamheden is onvoldoende bewijs dat hij de zorgtaken voor een subst
  • De Raad past het verruimde toetsingskader uit de tussenuitspraak van 18 april 2024 toe en toetst de terugvordering intensief op geschiktheid, noodzakelijkheid e
  • Wegens overschrijding van de redelijke termijn met dertien maanden wordt een schadevergoeding van € 1.500,- toegekend, te betalen door de Staat.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellante ontvangt sinds 1996 een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Uit informatie van de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank (Svb) bleek dat zij vanaf 1 januari 2013 inkomsten ontving vanuit het persoonsgebonden budget (pgb) van haar gehandicapte dochter. Over de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2020 ontving zij in totaal € 105.435,- aan pgb-betalingen. Deze inkomsten had zij niet gemeld bij het Uwv.

Het Uwv bracht de pgb-inkomsten met terugwerkende kracht in mindering op de WAO-uitkering en vorderde aanvankelijk € 71.507,64 bruto terug. Appellante betwistte dat de volledige inkomsten aan haar moesten worden toegerekend, omdat haar echtgenoot ook zorgtaken had verricht. Als onderbouwing legde zij de aanslag inkomstenbelasting 2013 van haar echtgenoot over, waarop een bedrag van € 1.620,- stond als resultaat overige werkzaamheden. De Raad oordeelde dat appellante hiermee niet met objectieve, verifieerbare gegevens aannemelijk had gemaakt dat de zorgtaken voor een substantieel deel door haar echtgenoot werden verricht. De zorgovereenkomsten stonden op naam van appellante en de vergoedingen werden overgemaakt naar haar bankrekening. Het Uwv heeft de pgb-inkomsten daarom terecht volledig aan appellante toegerekend.

In hoger beroep heeft het Uwv, mede naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 over het toetsingskader bij terugvorderingsbesluiten, wegens dringende redenen een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. De terugvordering werd beperkt tot de jaren 2016 tot en met 2019 en het bedrag werd verlaagd naar € 32.894,17 bruto. Bij de matiging woog het Uwv mee dat appellante de inkomsten niet zelf had gemeld, dat het Uwv zelf sinds 2005 nauwelijks contact had opgenomen en eerder een controle-uitvraag bij de Belastingdienst had kunnen doen, dat appellante kort voor haar AOW-leeftijd (in 2025) stond, dat haar echtgenoot wegens langdurige arbeidsongeschiktheid een inkomensterugval had ondergaan, en dat het Uwv bereid was aan te nemen dat de echtgenoot in enige mate had bijgedragen aan de zorg.

De Raad toetste de belangenafweging op geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid en oordeelde dat het Uwv voldoende gewicht had toegekend aan alle relevante feiten en omstandigheden. De uitkomst van de belangenafweging acht de Raad niet onevenredig. Een verdergaande matiging van de terugvordering, zoals appellante bepleitte, wees de Raad af.

Wegens overschrijding van de redelijke termijn met dertien maanden kende de Raad appellante een schadevergoeding toe van € 1.500,-, te betalen door de Staat. De totale proceskosten ten laste van het Uwv werden vastgesteld op € 6.063,20.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

De terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkering is verlaagd naar € 32.894,17 bruto, maar de Raad heeft een verdergaande matiging afgewezen. Dat het Uwv zelf jarenlang geen contact heeft opgenomen en eerder een controle had kunnen uitvoeren, is meegewogen maar leidt niet tot een verdere verlaging: de Raad acht de bereikte uitkomst niet onevenredig. Wie pgb-inkomsten ontvangt en een WAO-uitkering heeft, is verplicht die inkomsten te melden bij het Uwv; de melding bij de Belastingdienst is daarvoor niet voldoende.

Vragen over deze uitspraak

Kan ik als pgb-ontvanger een deel van de pgb-inkomsten laten toerekenen aan mijn partner als die ook zorg verleende?

Dat kan alleen als je met objectieve, verifieerbare gegevens aannemelijk maakt dat de zorgtaken voor een substantieel deel door je partner werden verricht. Een aanslag inkomstenbelasting van de partner met een klein bedrag als resultaat overige werkzaamheden is daarvoor onvoldoende. Als de zorgovereenkomst op jouw naam staat en de betalingen naar jouw rekening gaan, worden de inkomsten volledig aan jou toegerekend.

Moet het Uwv de te veel betaalde WAO-uitkering altijd volledig terugvorderen?

Het Uwv is in beginsel verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Alleen bij dringende redenen kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Daarbij moet het Uwv alle relevante feiten en omstandigheden afwegen, zowel de oorzaak van de terugvordering als de gevolgen ervan, en die afweging moet het evenredigheidsbeginsel kunnen doorstaan.

Welke omstandigheden telde mee bij het matigen van de terugvordering in deze zaak?

Het Uwv woog aan de kant van appellante mee dat zij kort voor de AOW-leeftijd stond, dat haar echtgenoot door arbeidsongeschiktheid een inkomensterugval had ondergaan, en dat hij in enige mate aan de zorg had bijgedragen. Aan de kant van het Uwv woog mee dat het zelf sinds 2005 nauwelijks contact had opgenomen en eerder een controle-uitvraag bij de Belastingdienst had kunnen doen, waardoor de vordering lager zou zijn uitgevallen.

Wanneer is de redelijke termijn overschreden en wat levert dat op?

Voor een procedure in drie instanties geldt een redelijke termijn van vier jaar. In deze zaak verstreek vanaf ontvangst van het bezwaarschrift op 19 januari 2021 tot de uitspraak op 11 februari 2026 een periode van vijf jaar en een maand, een overschrijding van dertien maanden. Dat levert een schadevergoeding op van € 1.500,-, toe te wijzen ten laste van de Staat.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket