Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

Centrale Raad van Beroep kent werkneemster IVA-uitkering toe met ingang van 14 februari 2016 nadat het Uwv de gebreken in de motivering niet wist te herstellen

Het gaat in deze zaken om de vraag of het Uwv aan een (ex-)werkneemster van appellante terecht een IVA-uitkering heeft toegekend met ingang van 30 april 2019…

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2025:1416Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
24 september 2025

In het kort

  • De Raad kent werkneemster met ingang van 14 februari 2016 een IVA-uitkering toe, in plaats van de door het Uwv vastgestelde ingangsdatum van 30 april 2019.
  • De doorslag geeft dat de FML van 14 februari 2016 gelijkluidend is aan de FML van 5 juni 2019 en aan de FML van 1 december 2014: de veronderstelde verbetering v
  • Het Uwv slaagde er ook na rapporten van 3 januari 2025 en 21 februari 2025 niet in te motiveren dat op 14 februari 2016 nog verbetering in het persoonlijk en so
  • De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep berekende de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van de gewijzigde fictieve FML op 0%, maar de Raad verwierp de onder
  • Het Uwv moet aan appellante in totaal € 5.256,58 aan proceskosten vergoeden en het griffierecht in beroep en hoger beroep terugbetalen tot een bedrag van € 1.45

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Het geschil betreft de ingangsdatum van een IVA-uitkering aan een (ex-)werkneemster van appellante. Het Uwv had die uitkering toegekend met ingang van 30 april 2019. Appellante bestreed dat de duurzame volledige arbeidsongeschiktheid niet al op 14 februari 2016 kon worden vastgesteld. In een eerdere tussenuitspraak van 13 juni 2024 had de Raad al geoordeeld dat de medische beoordeling die ten grondslag lag aan de bestreden besluiten onvoldoende was gemotiveerd, en had hij het Uwv opgedragen de gebreken te herstellen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak stelde de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 25 juli 2024 dat de beperkingen als gevolg van de schouderklachten alsnog vanaf 14 februari 2016 als duurzaam moesten worden aangemerkt. Voor de psychische klachten handhaafde de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt dat die beperkingen op 14 februari 2016 niet duurzaam waren, omdat sprake zou zijn van recidiverende klachten die kunnen verbeteren met behandeling en medicatie. Op basis van een gewijzigde fictieve FML berekende de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid op 0%, waarna het Uwv vasthield aan de ingangsdatum van 30 april 2019.

De Raad volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet. Doorslaggevend is dat de verzekeringsarts die werkneemster op 5 juni 2019 op het spreekuur zag, twee gelijkluidende FML'en heeft opgesteld: één geldig vanaf 5 juni 2019 en één geldig vanaf 14 februari 2016. Beide zijn ook gelijk aan de FML van 1 december 2014. De veronderstelde verbetering van de psychische klachten op 14 februari 2016 heeft zich dus niet vertaald in een afname van de arbeidsbeperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook in de nadere rapporten van 3 januari 2025 en 21 februari 2025 niet toereikend gemotiveerd dat per 14 februari 2016 ten aanzien van de in de FML opgenomen beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren en de werktijden nog verbetering te verwachten was.

Omdat niet de verwachting bestaat dat de bestreden besluiten alsnog van een deugdelijke motivering kunnen worden voorzien, voorziet de Raad zelf in de zaak. Hij herroept het besluit van 18 november 2015 voor zover daarin werkneemster per 14 februari 2016 in aanmerking was gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, en kent haar met ingang van 14 februari 2016 een IVA-uitkering toe. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van in totaal 5.256,58 euro.

Wat betekent deze uitspraak voor de werkgever?

De Raad bepaalt dat werkneemster met ingang van 14 februari 2016 recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-loonaanvullingsuitkering. Voor appellante als (voormalig) werkgever betekent dit dat het besluit van 18 november 2015, waarbij werkneemster per 14 februari 2016 in aanmerking was gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, wordt herroepen. De Raad veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 5.256,58, alsmede tot vergoeding van het griffierecht tot een bedrag van € 1.450,-.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

Werkneemster heeft met ingang van 14 februari 2016 recht op een IVA-uitkering, ruim drie jaar eerder dan het Uwv had vastgesteld. De Raad voorziet zelf in de zaak en herroept het besluit dat haar per die datum slechts een WGA-loonaanvullingsuitkering had toegekend. De uitspraak treedt in de plaats van de vernietigde besluiten.

Vragen over deze uitspraak

Waarom kent de Raad de IVA-uitkering toe vanaf 14 februari 2016 en niet pas vanaf 30 april 2019?

Omdat de FML die geldig is vanaf 14 februari 2016 gelijkluidend is aan de FML van 5 juni 2019 en de FML van 1 december 2014: de veronderstelde verbetering van de psychische klachten heeft zich niet vertaald in minder arbeidsbeperkingen. Het Uwv kon niet motiveren dat op 14 februari 2016 nog verbetering te verwachten was in het persoonlijk en sociaal functioneren en de werktijden.

Wat ging er mis met de motivering van het Uwv over de duurzaamheid van de psychische beperkingen?

De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde dat sprake was van recidiverende klachten die met behandeling konden verbeteren, maar onderbouwde niet waarom die verbetering ook gold voor de concrete beperkingen die per 14 februari 2016 in de FML waren opgenomen. De Raad oordeelde dat ook de nadere rapporten van 3 januari 2025 en 21 februari 2025 hiervoor onvoldoende waren.

Wat is de betekenis van de gelijkluidende FML'en voor de beoordeling van duurzaamheid?

De Raad gebruikt het feit dat de FML van 14 februari 2016 en de FML van 5 juni 2019 gelijkluidend zijn als bewijs dat de door het Uwv gestelde verbetering van de psychische klachten zich niet heeft vertaald in een afname van de arbeidsbeperkingen. Dat maakt de stelling dat de beperkingen op 14 februari 2016 nog niet duurzaam waren, onvoldoende onderbouwd.

Welke proceskosten moet het Uwv aan appellante vergoeden?

Het Uwv moet in totaal € 5.256,58 aan proceskosten vergoeden, waaronder € 1.814,- voor rechtsbijstand in beroep in zaak 22/332 WIA, € 2.267,50 voor rechtsbijstand in hoger beroep, € 268,08 voor het deskundigenrapport van drs. Meijer en € 907,- voor haar aanwezigheid bij zittingen. Daarnaast vergoedt het Uwv het griffierecht tot een bedrag van € 1.450,-.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket