Centrale Raad van Beroep
Gedeeltelijke werkhervatting na ernstig ongeluk leidt niet automatisch tot verlies van migrerend werknemerschap voor studiefinanciering
De minister heeft hoger beroep ingesteld omdat volgens hem de rechtbank ten onrechte tot de conclusie kwam dat betrokkene recht had op volledige…
- ECLI-nummer
- ECLI:NL:CRVB:2026:523Lees de uitspraak
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Uitspraakdatum
- 30 april 2026
In het kort
- Betrokkene kreeg begin januari 2022 een ernstig ongeluk en kon daardoor aanvankelijk niet werken; de minister erkent in hoger beroep dat zij tot en met mei 2022
- Het geschil in hoger beroep betreft uitsluitend de periode juni tot en met december 2022, waarin betrokkene gemiddeld 20 uur per maand werkte, onder de beleidsr
- De Raad oordeelt dat gedeeltelijke werkhervatting na volledige arbeidsongeschiktheid niet automatisch tot verlies van migrerend werknemerschap leidt; alle omsta
- Betrokkene heeft voldoende medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij in juni tot en met december 2022 nog regelmatig naar het Verenigd Koninkrijk moest
- De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.868,-.
Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?
Betrokkene, een Britse studente, had vanaf maart 2021 gewerkt voor verschillende werkgevers in Nederland en kwalificeerde daardoor als migrerend werknemer. Begin januari 2022 kreeg zij een ernstig ongeluk. De minister kende haar studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 toe over de maanden januari tot en met maart 2022, maar weigerde dit over april tot en met december 2022. Over april en mei 2022 stelde de minister dat betrokkene haar status als migrerend werknemer had verloren omdat geen sprake was van loondoorbetaling of een ZW-uitkering. Over juni tot en met december 2022 gold bovendien dat betrokkene de leeftijd van 30 jaar had bereikt en daarmee buiten de reguliere aanspraak viel.
De rechtbank Gelderland vernietigde het bestreden besluit. De minister stelde hoger beroep in. In hoger beroep bestreed de minister niet langer dat betrokkene tot en met mei 2022 haar werknemersstatus had behouden op grond van tijdelijke arbeidsongeschiktheid (artikel 7, derde lid, onder a, Richtlijn 2004/38). Het geschil spitste zich toe op de periode juni tot en met december 2022: in die periode hervatte betrokkene haar werkzaamheden gedeeltelijk, gemiddeld 20 uur per maand, maar dat was minder dan de 24 uur per maand die de beleidsregel als ondergrens hanteert. De minister stelde dat zij daarmee niet (meer) als migrerend werknemer kwalificeerde.
De Raad oordeelt dat bij de beoordeling of iemand migrerend werknemer is, alle omstandigheden van het geval in samenhang moeten worden bezien. Wanneer een werknemer na volledige arbeidsongeschiktheid het werk geleidelijk hervat, moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de beperkte omvang van de werkzaamheden samenhangt met het ongeluk of de ziekte die aanleiding gaf tot het staken van het werk. Het enkele feit dat minder uren worden gewerkt dan het in de beleidsregel genoemde aantal leidt in die situatie niet automatisch tot verlies van het migrerend werknemerschap. Een andere uitleg zou er paradoxaal toe leiden dat pogingen tot gedeeltelijke werkhervatting juist tot verlies van die status zouden kunnen leiden, wat zich niet verdraagt met de eis dat het begrip werknemer ruim moet worden uitgelegd.
De Raad stelt vast dat betrokkene medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij ook in juni tot en met december 2022 regelmatig naar het Verenigd Koninkrijk moest voor controles, verder onderzoek en een nieuwe operatie. Alle individuele omstandigheden in samenhang wijzen op een bestendige band met de arbeidsmarkt. De minister bevestigde ter zitting dat er bij het aannemen van migrerend werknemerschap geen andere beletselen zijn voor toekenning. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank, zij het op andere gronden, en veroordeelt de minister in de proceskosten van betrokkene ten bedrage van 1.868 euro.
Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?
Een werknemer die na een ernstig ongeluk het werk gedeeltelijk hervat en daarbij minder uren maakt dan de beleidsregel-ondergrens, verliest zijn of haar status van migrerend werknemer niet automatisch. De Raad bevestigt dat alle individuele omstandigheden, waaronder medische beperkingen en voortdurende behandelingen, in samenhang moeten worden beoordeeld. Het overleggen van medische stukken die de voortdurende nasleep van het ongeluk aantonen, is van belang om aannemelijk te maken dat de band met de arbeidsmarkt is blijven bestaan.
Vragen over deze uitspraak
Verlies je je migrerend werknemerschap als je na een ongeluk minder uren werkt dan de norm in de beleidsregel?
Niet automatisch. De Raad oordeelt dat bij gedeeltelijke werkhervatting na volledige arbeidsongeschiktheid alle omstandigheden in samenhang moeten worden beoordeeld. De beleidsregel-ondergrens van 24 uur per maand is dan niet doorslaggevend als de beperkte omvang van de werkzaamheden verband houdt met het ongeluk of de ziekte.
Is een WW-uitkering of loondoorbetaling vereist om je werknemersstatus te behouden bij ziekte of een ongeluk?
Nee. De rechtbank oordeelde al dat een aanspraak op loondoorbetaling of recht op ziekengeld geen voorwaarde is voor een geslaagd beroep op artikel 7, derde lid, onder a, van de Richtlijn 2004/38. De minister heeft dit oordeel in hoger beroep niet langer bestreden.
Welke bewijzen moet je overleggen om aannemelijk te maken dat je migrerend werknemer bent gebleven na een ongeluk?
Medische stukken die aantonen dat de klachten en beperkingen voortduurden en de band met de arbeidsmarkt intact bleef. Betrokkene legde stukken over waaruit bleek dat zij regelmatig naar het Verenigd Koninkrijk moest voor controles, onderzoek en een operatie; de Raad achtte dat voldoende.
Wat betekent het voor de studiefinanciering als je na je dertigste verjaardag nog migrerend werknemer bent?
Wanneer iemand een doorlopend recht op studiefinanciering heeft op het moment dat zij de leeftijd van 30 jaar bereikt, behoudt zij op grond van artikel 2.3, vierde lid, van de Wsf 2000 haar aanspraak. De minister had de studiefinanciering van betrokkene over juni tot en met december 2022 op een onjuiste grondslag afgewezen.
Verwante uitspraken
- ZW-uitkering terecht geweigerd omdat de medische beperkingen niet waren toegenomen ten opzichte van de WIA-beoordeling10 juni 2026
- Bijzondere bijstand voor tandartskosten alsnog toegekend; afwijzing paracetamol en hoogte bewassingskosten blijven in stand30 juni 2026
- Svb mag ANW-uitkering herzien en terugvorderen na nabetaling Wajong met terugwerkende kracht; geen dringende reden aanwezig11 september 2025


