Centrale Raad van Beroep
Eigenrisicodrager kan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet aanvechten in een EZWb-procedure over het ongewijzigd voortzetten van de ZW-uitkering
Ongewijzigde voortzetting ZW-uitkering van werknemer per 9 juli 2019 blijft in stand.
- ECLI-nummer
- ECLI:NL:CRVB:2025:1599Lees de uitspraak
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Uitspraakdatum
- 27 oktober 2025
In het kort
- De eerste arbeidsongeschiktheidsdag (10 juli 2018) maakt geen onderdeel uit van het geding over de EZWb, omdat het hier gaat om voortzetting van de uitkering en
- De urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep toereikend gemotiveerd met verwijzing naar de standa
- De beperkingen op FML-items 1.9 en 2.12 zijn in het rapport van 13 januari 2021 afdoende onderbouwd; de CBBS-voorbeelden zijn niet restrictief.
- De redelijke termijn is in de rechterlijke fase met twee jaar en vier maanden overschreden; de Staat betaalt 2.500 euro schadevergoeding aan appellante.
- Het hoger beroep slaagt niet: het ongewijzigd voortzetten van de ZW-uitkering per 9 juli 2019 blijft in stand.
Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?
Een werkgever die eigenrisicodrager is betwistte de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van zijn voormalige werknemer (een schoonmaker) in het kader van een Eerstejaars ZW-beoordeling. Het Uwv had de ZW-uitkering per 9 juli 2019 ongewijzigd gelaten omdat de werknemer minder dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. De werkgever voerde aan dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet 10 juli 2018 maar een latere datum was, dat de urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week ten onrechte was aangenomen, en dat de beperkingen op FML-items 1.9 (aangewezen zijn op een voorspelbare situatie) en 2.12 (noodzaak om te kunnen terugvallen op directe collega's of leidinggevenden) onvoldoende waren gemotiveerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag in dit geval geen onderdeel uitmaakt van het geding. De zaak gaat over de voortzetting van de ZW-uitkering na een EZWb, niet over een eerste toekenning of afwijzing. Omdat artikel 52c van de ZW was toegepast en er geen beschikking over de toekenning was afgegeven, had de werkgever binnen een redelijke termijn om een afzonderlijk besluit over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag kunnen vragen. Dat is niet gedaan. De rechtbank had zich daarom moeten onthouden van een oordeel over dit punt; de aangevallen uitspraken worden op dit punt verbeterd van gronden.
Voor de medische beoordeling onderschrijft de Raad de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volledig. De urenbeperking is door die arts toereikend onderbouwd onder verwijzing naar de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. De beperkingen op items 1.9 en 2.12 zijn in het rapport van 13 januari 2021 afdoende gemotiveerd. Het argument van de werkgever dat de FML-invulling niet overeenkomstig de definities van het CBBS was, is door de verzekeringsarts weerlegd: de in het CBBS opgenomen voorbeelden zijn niet restrictief. Nieuwe medische gegevens die een ander oordeel zouden rechtvaardigen zijn in hoger beroep niet overgelegd. Het verzoek om een onafhankelijk deskundigenonderzoek wordt afgewezen.
De Raad stelt wel een overschrijding van de redelijke termijn vast. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 25 juni 2019 tot de uitspraak op 27 oktober 2025 zijn zes jaar en ongeveer vier maanden verstreken, terwijl de norm vier jaar bedraagt. De redelijke termijn is in de rechterlijke fase met twee jaar en vier maanden overschreden. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 2.500 euro aan de werkgever en tot vergoeding van proceskosten van 453,50 euro.
Wat betekent deze uitspraak voor de werkgever?
Een eigenrisicodrager die het niet eens is met de eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet daar tijdig een afzonderlijk besluit over vragen bij het Uwv op grond van artikel 52c van de ZW; doet hij dat niet, dan kan hij het punt niet alsnog in een EZWb-procedure aan de orde stellen. De Raad bevestigt verder dat de FML met de urenbeperking en de beperkingen op items 1.9 en 2.12 inhoudelijk standhouden, zodat de ZW-uitkering ongewijzigd voortduurt en de eigenrisicodrager deze blijft betalen. Omdat de procedure meer dan vier jaar heeft geduurd, heeft appellante wel recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar die wordt niet op het Uwv verhaald maar op de Staat.
Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?
De ZW-uitkering van de werknemer blijft per 9 juli 2019 ongewijzigd voortduren, omdat is vastgesteld dat hij minder dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. De vastgestelde belastbaarheid, inclusief de urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week en de beperkingen op items 1.9 en 2.12 van de FML, blijft ongewijzigd van kracht.
Vragen over deze uitspraak
Kan een eigenrisicodrager de eerste arbeidsongeschiktheidsdag aanvechten in een EZWb-procedure?
Nee, de eerste arbeidsongeschiktheidsdag maakt in een EZWb-procedure geen onderdeel uit van het geding. De Raad oordeelt dat dit alleen aan de orde kan komen bij een besluit over een eerste toekenning of afwijzing. Als de werkgever een beschikking wilde over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, had hij dat binnen een redelijke termijn bij het Uwv moeten vragen op grond van artikel 52c van de ZW.
Hoe moet een urenbeperking in de FML worden onderbouwd?
De Raad aanvaardt een onderbouwing onder verwijzing naar de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zowel in het rapport van 13 december 2019 als in dat van 4 juni 2020 inzichtelijk toegelicht waarom de urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week is aangenomen; de Raad acht dit toereikend.
Mogen CBBS-voorbeelden bij FML-items restrictief worden uitgelegd?
Nee. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 8 april 2021 gemotiveerd dat de in het CBBS opgenomen voorbeelden niet restrictief zijn, en de Raad volgt dit standpunt. Een beperking op items als 1.9 of 2.12 hoeft dus niet te passen binnen de letter van een CBBS-voorbeeld om geldig te zijn.
Hoeveel schadevergoeding krijg je bij overschrijding van de redelijke termijn in een ZW-zaak?
De Raad hanteert in beginsel 500 euro per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. In deze zaak was de overschrijding in de rechterlijke fase twee jaar en vier maanden, wat leidde tot een vergoeding van 2.500 euro ten laste van de Staat.
Verwante uitspraken
- Uwv heeft bij continuering ZW-uitkering eigenrisicodrager ten onrechte geen arbeidskundig vervolgonderzoek verricht29 oktober 2025
- ZW-uitkering terecht geweigerd omdat psychische klachten niet medisch objectiveerbaar waren onderbouwd10 december 2025
- Weigering WIA- en ZW-uitkering blijft in stand ondanks Wmo-begeleiding en afwijkende bedrijfsarts-FML1 juli 2026


