Naar inhoud
Jurisprudentie

Procedure en bewijs

Dagloonvaststelling bij oproepcontract en achteraf uitbetaald loon blijft in stand ondanks coronaperiode en hogere werkuren aan het einde van de referteperiode

Een chauffeuse met een nulurencontract ontving na haar ziekmelding een ZW-uitkering en later een WW-uitkering. Zij vond de vastgestelde daglonen te laag, omdat haar werkgever het loon achteraf uitbetaalde, zij tijdens de coronapandemie minder uren had gewerkt en aan het einde van de referteperiode juist meer. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat UWV het ZW-dagloon van € 92,14 en het WW-dagloon van € 129,60 correct had vastgesteld en liet de besluiten in stand. Wel werd UWV veroordeeld tot een schadevergoeding van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn in de ZW-zaak.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:744Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
20 mei 2026

In het kort

  • UWV stelde het ZW-dagloon vast op € 92,14 en het WW-dagloon op € 129,60 op basis van het in de polisadministratie geregistreerde SV-loon in de referteperiode.
  • De Raad aanvaardde niet dat de referteperiode anders vastgesteld moest worden vanwege minder werken tijdens corona of meer werken aan het einde van de referteperiode, omdat de wet daarvoor geen grondslag biedt.
  • Loon dat de werkgever achteraf uitbetaalde en in een later aangiftetijdvak verantwoordde, telde niet mee in het SV-loon van de referteperiode; de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst is bepalend.
  • Whatsappberichten over pauze- en rusturen werden niet aangemerkt als een schriftelijke maning op niet mis te verstane wijze tot nabetaling, zodat de uitzondering voor vorderbaar maar niet inbaar loon niet van toepassing was.
  • In de ZW-zaak was de redelijke termijn met twee maanden overschreden in de bezwaarfase; UWV werd veroordeeld tot € 500,- schadevergoeding en € 467,- proceskosten.
Thema
Procedure en bewijs

Wetsartikelen

  • artikel 3:1, Wazo

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Een vrouw die als chauffeur werkte op basis van een nulurencontract meldde zich op 8 april 2021 ziek. UWV stelde het ZW-dagloon vast op € 92,14 en, nadat de ZW-uitkering eindigde, het WW-dagloon op € 129,60. Appellante bestreed beide daglonen en voerde aan dat de toepassing van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in haar geval tot onevenredige uitkomsten leidde.

Appellante stelde allereerst dat de referteperiodes anders vastgesteld hadden moeten worden, omdat zij vanwege corona minder had gewerkt en aan het einde van de referteperiodes juist meer uren had gemaakt. De Raad verwierp dit: noch de ZW, noch de WW, noch het Dagloonbesluit biedt een grondslag om van een andere referteperiode uit te gaan. De besluitgever heeft er bewust voor gekozen dat periodes met minder loon een negatieve invloed op het dagloon hebben, ongeacht de reden.

Appellante stelde verder dat niet het in de referteperiode genoten loon, maar het loon over de referteperiode als uitgangspunt had moeten dienen. Dat loon over de maanden februari en maart 2021 viel buiten de referteperiode, omdat haar werkgever het achteraf uitbetaalde en in een later aangiftetijdvak verantwoordde. Ook dit standpunt slaagde niet: in vaste rechtspraak is geoordeeld dat de besluitgever er welbewust voor heeft gekozen uit te gaan van de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst, die bepalend is voor de toerekening van loon aan een aangiftetijdvak.

Appellante betoogde ook dat niet uitbetaalde overuren hadden moeten worden meegenomen als loon dat in de referteperiode vorderbaar maar niet inbaar was geworden. De Raad oordeelde dat appellante niet heeft aangetoond dat zij haar werkgever tijdens de referteperiode schriftelijk op niet mis te verstane wijze had gemaand tot nabetaling. De ingediende whatsappberichten volstonden daarvoor niet.

Ten slotte beriep appellante zich op de verlofvervangingsregeling, omdat zij in bepaalde weken niet was opgeroepen vanwege corona. De Raad oordeelde dat van verlof in de zin van het Dagloonbesluit slechts sprake is als werkgever en werknemer een overeenkomst hebben gesloten over het niet verrichten van arbeid. Omdat appellante op basis van een nulurencontract werkte, was van een vooraf overeengekomen arbeidstijd geen sprake en kon evenmin sprake zijn van onbetaald verlof. Een beroep op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b van het Burgerlijk Wetboek strandde eveneens, omdat ook dan een overeenkomst over het niet verrichten van arbeid vereist is.

In de ZW-zaak constateerde de Raad dat de redelijke termijn met twee maanden was overschreden, volledig in de bezwaarfase. UWV werd veroordeeld tot betaling van € 500,- schadevergoeding en € 467,- proceskosten voor dit verzoek.

Wat deze uitspraak laat zien over de beoordeling

Deze uitspraak gaat niet over belastbaarheid, functionele mogelijkheden of functieduiding, maar over de berekeningssystematiek van het dagloon bij een oproepkracht met achteraf uitbetaald loon. De Raad achtte voldoende dat UWV uitging van de gegevens in de polisadministratie en de loonaangifte van de werkgever, ook als het resulterende dagloon lager uitvalt dan het feitelijk verdiende loon in de referteperiode. Wat hier de doorslag gaf bij de niet-inbaarbaarheidsuitzondering is dat appellante niet aantoonde dat zij haar werkgever tijdens de referteperiode schriftelijk op niet mis te verstane wijze had gemaand; mondelinge aanspraken en whatsappberichten over pauze- en rusttijden waren daarvoor onvoldoende. Bij de verlofvervangingsregeling was beslissend dat een nulurencontract geen vooraf overeengekomen arbeidstijd kent, zodat niet-opgeroepen worden geen onbetaald verlof in de zin van het Dagloonbesluit oplevert.

Wat betekent deze uitspraak voor de werkgever?

Deze uitspraak bevestigt dat de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een aangiftetijdvak bij de dagloonberekening. Loon dat achteraf wordt uitbetaald en in een later aangiftetijdvak wordt verantwoord, valt buiten de referteperiode van de werknemer, met gevolgen voor de hoogte van diens uitkering. De uitspraak raakt de arbeidsdeskundige beoordeling niet rechtstreeks, maar illustreert dat de loonadministratie van de werkgever structureel doorwerkt in de dagloonvaststelling.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

De Raad liet het ZW-dagloon van € 92,14 en het WW-dagloon van € 129,60 in stand, ook al ontving appellante door de achterwege gebleven maanden en het achteraf uitbetaalde loon ruim 25% minder dan haar laatstverdiende loon. Wat hier de doorslag gaf, is dat de wet geen ruimte biedt voor een andere referteperiode of een andere toerekening van loon, ongeacht de reden voor de lagere inkomsten. De schadevergoeding van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase veranderde niets aan de hoogte van de daglonen zelf.

Aanzet voor uw rapport

De Centrale Raad van Beroep oordeelde op 20 mei 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:744) dat UWV het ZW-dagloon en het WW-dagloon juist had vastgesteld op basis van de polisadministratie. De Raad achtte voldoende dat "de besluitgever er welbewust voor heeft gekozen om de berekening van dagloon te vereenvoudigen door uit te gaan van de gegevens in de polisadministratie, waarbij de opgave van de werkgever aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak." Voor de uitzondering van vorderbaar maar niet inbaar loon gold dat "daarbij voldoende is dat een belanghebbende aantoont dat hij tijdens de referteperiode op niet mis te verstane wijze de werkgever heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren", aan welk vereiste appellante niet had voldaan.

Deze alinea beschrijft wat de Raad in deze zaak oordeelde, met de vindplaats erin. Of uw casus hierop lijkt, weegt u zelf.

Vragen over deze uitspraak

Telt loon dat de werkgever achteraf uitbetaalt mee in het dagloon?

Alleen als het in de polisadministratie valt binnen de referteperiode. De werkgever bepaalt in welk aangiftetijdvak hij loonaangifte doet, en dat tijdvak is bepalend voor de dagloonberekening. Loon dat na afloop van de referteperiode werd uitbetaald en verantwoord, telt niet mee, ook al is het in de referteperiode verdiend.

Kan ik als werknemer loon dat de werkgever niet heeft uitbetaald toch in mijn dagloon laten meenemen?

Dat kan, maar alleen als aangetoond wordt dat het loon in de referteperiode vorderbaar maar niet inbaar is geworden en dat de werkgever tijdens de referteperiode schriftelijk op niet mis te verstane wijze is gemaand tot betaling. Mondelinge aanspraken en whatsappberichten over pauze- en rusttijden volstaan daarvoor niet.

Geldt de verlofvervangingsregeling ook als een oproepkracht niet werd opgeroepen vanwege corona?

Nee. Voor verlof in de zin van het Dagloonbesluit is een overeenkomst tussen werkgever en werknemer vereist over het niet verrichten van arbeid gedurende een bepaald tijdvak. Bij een nulurencontract is van een vooraf overeengekomen arbeidstijd geen sprake, zodat niet-opgeroepen worden geen onbetaald verlof oplevert.

Wanneer heeft een werknemer recht op schadevergoeding wegens te trage behandeling door UWV?

Als de totale procedure langer dan vier jaar heeft geduurd, is de redelijke termijn in beginsel overschreden. Voor elk half jaar overschrijding geldt een vergoeding van € 500,-. In de ZW-zaak was de termijn met twee maanden overschreden, geheel in de bezwaarfase, wat leidde tot een vergoeding van € 500,-.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket