Centrale Raad van Beroep
Bijzondere bijstand voor woninginrichting en permanente ontheffing arbeidsverplichtingen terecht geweigerd bij onvoldoende bewijs bijzondere omstandigheden en arbeidsongeschiktheid
Afwijzing aanvraag. Bijzondere bijstand voor kosten stoffering en woninginrichting. Afwijzing verzoek om vrijstelling arbeidsverplichtingen.
- ECLI-nummer
- ECLI:NL:CRVB:2026:405Lees de uitspraak
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Uitspraakdatum
- 31 maart 2026
In het kort
- De aanvraag om bijzondere bijstand voor stofferings- en inrichtingskosten werd afgewezen omdat de verhuizing een keuze met voorzienbare gevolgen was en geen spr
- Appellante maakte niet aannemelijk dat zij noodgedwongen moest verhuizen: haar stelling over huiselijk geweld was in strijd met haar eerdere verklaring bij de b
- Voor een permanente ontheffing van de arbeidsverplichtingen (artikel 9, vijfde lid, PW) moet de betrokkene ten minste een begin van bewijs leveren van volledige
- Uit de huisartsbrief van 28 augustus 2024 bleek dat GGZ-behandeling niet geïndiceerd was en dat de psychische klachten samenhingen met sociaalmaatschappelijke p
- Het college verleende een tijdelijke ontheffing van 9 augustus 2024 tot en met 15 februari 2025; nadien werd een nieuwe tijdelijke ontheffing verleend van 28 ma
Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet als alleenstaande. Zij vroeg bijzondere bijstand aan voor stofferings- en inrichtingskosten van haar antikraakwoning, en verzocht daarnaast om een permanente ontheffing van de arbeidsverplichtingen wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Het college wees de bijzondere bijstand af en verleende in plaats van een permanente ontheffing een tijdelijke ontheffing van zes maanden. De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigde beide uitspraken.
Ten aanzien van de bijzondere bijstand oordeelde de Raad dat kosten van stoffering en woninginrichting tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend, waarvoor in beginsel gereserveerd moet worden. Van bijzondere omstandigheden is slechts sprake als de kosten niet op een voorzienbare manier zijn opgekomen. Appellante stelde dat zij noodgedwongen was verhuisd door huiselijk geweld, maar deze stelling was in strijd met haar eerdere verklaring dat zij naar Nederland was gekomen zodat haar kinderen hier onderwijs konden volgen. Zij maakte ook niet aannemelijk dat zij niet langer bij haar schoonfamilie kon verblijven. De verhuizing werd daarmee als een keuze met voorzienbare gevolgen aangemerkt. Het argument dat zij niet had kunnen reserveren omdat zij geen inkomen had, werd verworpen: appellante had in Marokko een remigratie-uitkering ontvangen en nadien ook een uitkering en arbeidsinkomen gehad.
Ten aanzien van de permanente ontheffing stelde de Raad dat artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet de arbeidsverplichtingen uitsluit voor wie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Een betrokkene moet daarvoor ten minste een begin van bewijs leveren. Appellante slaagde daar niet in. De eerder verleende tijdelijke ontheffingen waren daarvoor onvoldoende. Uit de huisartsbrief van 28 augustus 2024 bleek dat GGZ-behandeling niet geïndiceerd was omdat de psychische klachten samenhingen met sociaalmaatschappelijke problemen, waaronder het leven in een antikraakwoning en de scheiding van haar kinderen. De Raad oordeelde dat dit duidt op problemen van tijdelijke aard die met het vinden van een eigen woning kunnen worden opgelost, zodat een permanente ontheffing niet gerechtvaardigd was.
De tijdelijke ontheffing van zes maanden werd door de Raad in stand gelaten. De termijn was afgesproken met appellante en sloot aan bij het afsprakenplan. Bovendien was bij het aflopen van de ontheffing al een nieuwe tijdelijke ontheffing verleend voor de periode van 28 maart 2025 tot en met 28 februari 2026.
Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?
De Raad bevestigde dat voor een permanente ontheffing van de arbeidsverplichtingen ten minste een begin van bewijs van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid nodig is, en dat het hebben van een tijdelijke ontheffing of psychische klachten die samenhangen met sociaalmaatschappelijke problemen daarvoor onvoldoende zijn. Zolang dat bewijs ontbreekt, blijft het college bevoegd om uitsluitend tijdelijke ontheffingen te verlenen. Voor bijzondere bijstand voor woninginrichting geldt dat een verhuizing die als een eigen keuze wordt aangemerkt geen bijzondere omstandigheid oplevert, ook niet als iemand stelt geen inkomen te hebben gehad.
Vragen over deze uitspraak
Wanneer heb je recht op bijzondere bijstand voor woninginrichting?
Alleen als de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, dat wil zeggen als je er niet voor had kunnen reserveren of ze niet gespreid achteraf kunt betalen. Kosten van stoffering en woninginrichting worden tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend, waarvoor in beginsel gereserveerd moet worden. Een verhuizing die als een keuze met voorzienbare gevolgen wordt aangemerkt, levert geen bijzondere omstandigheid op.
Wat moet je aanleveren om een permanente ontheffing van de arbeidsverplichtingen te krijgen?
Je moet ten minste een begin van bewijs leveren dat je volledig en duurzaam arbeidsongeschikt bent in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Dat betekent dat je de aard en omvang van je medische beperkingen en je herstelmogelijkheden moet onderbouwen met beschikbare medische gegevens. Een eerder verleende tijdelijke ontheffing is daarvoor onvoldoende.
Is een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen beperkt tot zes maanden?
Nee, de wet stelt geen vaste maximumtermijn. Het college bepaalt de termijn, en in dit geval was de zes maanden afgesproken met appellante en sloot die aan bij het afsprakenplan. Als de situatie voortduurt kan een nieuwe tijdelijke ontheffing worden aangevraagd.
Tellen psychische klachten die samenhangen met sociaalmaatschappelijke problemen mee voor een permanente ontheffing?
Niet als zij als tijdelijk van aard worden beschouwd. In deze zaak bleek uit de huisartsbrief dat GGZ-behandeling niet geïndiceerd was omdat de klachten samenhingen met sociaalmaatschappelijke problemen, zoals het wonen in een antikraakwoning en scheiding van de kinderen. De Raad oordeelde dat dit duidt op problemen die met het vinden van een eigen woning kunnen worden opgelost.
Verwante uitspraken
- Weigering permanente en tijdelijke ontheffing arbeidsverplichtingen PW terecht omdat aanvrager geen begin van bewijs leverde13 januari 2026
- Uwv stelt arbeidsongeschiktheid terecht vast op 57,99% en beëindigt WIA-uitkering terecht per 28 augustus 20233 september 2025
- Uwv hoeft WAO-uitkering niet te verhogen omdat toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na herziening niet medisch is onderbouwd17 juni 2026


