Naar inhoud
Jurisprudentie

Centrale Raad van Beroep

Ambtenaar kon wegens waarschijnlijke wilsonbekwaamheid geen WIA-aanvraag worden verweten; impasseontslag blijft wel in stand

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2026:810. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2026:809, onderstaande tekst is niet meer…

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:336Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
19 maart 2026

In het kort

  • Appellante was vanaf 12 december 2013 volledig arbeidsongeschikt en vroeg geen WIA-uitkering aan; het college staakte de bezoldiging en verleende haar op 19 dec
  • Psychiater dr. J.A. Bouwens concludeerde op 11 september 2025 dat appellante in de relevante periode waarschijnlijk wilsonbekwaam was ten aanzien van het aanvra
  • De Raad oordeelde dat appellante van haar gedrag geen verwijt kan worden gemaakt en dat er geen grondslag bestond voor de rechtspositionele maatregelen.
  • Het impasseontslag op grond van artikel 8:8 CAR-UWO bleef wel in stand: op 19 december 2017 was sprake van een onherstelbare vertrouwensbreuk die voortzetting v
  • Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een totaalbedrag van € 9.868,-.

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellante was sinds 2008 in dienst bij een werkgever in de gemeente Westland. Zij meldde zich op 26 maart 2013 gedeeltelijk ziek en was vanaf 12 december 2013 volledig arbeidsongeschikt. Het college van burgemeester en wethouders staakte in 2015 de doorbetaling van haar bezoldiging omdat zij weigerde de bedrijfsarts toestemming te geven contact op te nemen met haar behandelaar. Vervolgens weigerde appellante een WIA-uitkering aan te vragen, waarop het college rechtspositionele maatregelen trof en haar op 19 december 2017 primair ontslag verleende wegens het niet aanvragen van een WIA-uitkering, subsidiair wegens plichtsverzuim.

De rechtbank Den Haag verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep heropende de Raad het onderzoek en benoemde psychiater dr. J.A. Bouwens als deskundige. Diens rapport van 11 september 2025 concludeert dat appellante in de relevante periode waarschijnlijk wilsonbekwaam was ten aanzien van het tijdig aanvragen van een WIA-uitkering, op grond van een onvermogen om tot een weloverwogen beslissing te komen door haar preoccupaties. De deskundige stelde dat appellante de ontoelaatbaarheid van haar gedrag vermoedelijk wel kon inzien, maar dat dit zich door haar stoornis niet heeft kunnen vertalen in overeenkomstig gedrag.

De Raad volgde de deskundige, wiens rapport blijk gaf van zorgvuldig onderzoek en consistent en inzichtelijk was. De Raad oordeelde dat de stoornis appellantes functioneren zodanig heeft beïnvloed dat zij in hoge mate belemmerd was om haar situatie op een adequate en realistische manier in te schatten en haar gedrag om te buigen. Haar gedrag kon haar dan ook niet worden verweten. Dit betekende dat geen grondslag bestond voor de rechtspositionele maatregelen; de bestreden besluiten werden vernietigd.

Tegelijkertijd nam het college op 28 mei 2025 een nader besluit waarbij het ontslag meer subsidiair werd gebaseerd op een onherstelbare impasse (artikel 8:8 CAR-UWO). De Raad oordeelde dat op 19 december 2017 inderdaad sprake was van een zodanig verregaande en onomkeerbare verwijdering tussen appellante en haar werkgever dat voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet meer gevergd kon worden. Het impasseontslag bleef dan ook in stand. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van 9.868 euro.

Wat betekent deze uitspraak voor de werkgever?

Een ontslag wegens het niet aanvragen van een WIA-uitkering houdt geen stand als de werknemer door een psychiatrische stoornis waarschijnlijk wilsonbekwaam was ten aanzien van die beslissing: de Raad oordeelde dat in dat geval geen grondslag bestaat voor rechtspositionele maatregelen. Het college kon wel een impasseontslag op grond van artikel 8:8 CAR-UWO handhaven, maar daarvoor moest op de ontslagdatum zelf aantoonbaar sprake zijn van een onherstelbare vertrouwensbreuk en moest duidelijk zijn dat herplaatsing niet mogelijk was.

Wat betekent deze uitspraak voor de werknemer?

Appellante slaagde erin de rechtspositionele maatregelen en het primaire ontslag te laten vernietigen, omdat de Raad oordeelde dat haar het niet aanvragen van een WIA-uitkering vanwege haar psychische toestand niet kon worden verweten. Het impasseontslag bleef echter in stand: de Raad stelde vast dat op 19 december 2017 sprake was van een onomkeerbare verwijdering tussen appellante en haar werkgever, waardoor het dienstverband toch eindigde. Het college werd wel veroordeeld in de proceskosten van € 9.868,- en moet het griffierecht van € 168,- vergoeden.

Vragen over deze uitspraak

Kan een werkgever een ambtenaar ontslaan omdat hij geen WIA-uitkering aanvraagt?

Dat is alleen mogelijk als het niet aanvragen de ambtenaar redelijkerwijs kan worden verweten. De Raad oordeelde hier dat dit verwijt niet gemaakt kon worden omdat appellante door haar psychiatrische stoornis waarschijnlijk wilsonbekwaam was ten aanzien van die beslissing. Er bestond daardoor geen grondslag voor rechtspositionele maatregelen.

Wat is het gewicht van een rapport van een door de rechter benoemde deskundige?

De bestuursrechter kan het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige volgen indien de motivering hem overtuigend voorkomt. De Raad volgde het rapport van psychiater dr. J.A. Bouwens omdat het blijk gaf van zorgvuldig onderzoek en inzichtelijk en consistent was.

Kan een impasseontslag worden verleend als de verstoring mede is veroorzaakt door de psychische toestand van de werknemer?

De Raad liet het impasseontslag op grond van artikel 8:8 CAR-UWO in stand, ook nadat was vastgesteld dat appellante vanwege haar psychische toestand geen verwijt kon worden gemaakt. Bepalend was dat op de ontslagdatum van 19 december 2017 sprake was van een in de loop der jaren steeds verdergaande en uiteindelijk onomkeerbare verwijdering tussen appellante en haar werkgever.

Wat is het peilmoment voor de beoordeling of sprake is van een impasse bij een impasseontslag?

Het peilmoment ligt bij de datum van beëindiging van het dienstverband. De situatie op de ontslagdatum, hier 19 december 2017, is bepalend, en op die datum moet ook duidelijk zijn dat herplaatsing binnen de organisatie niet mogelijk is.

Verwante uitspraken

Alle jurisprudentieArbeidsdeskundigloket