Centrale Raad van Beroep
Raad oordeelt dat volledige arbeidsongeschiktheid van betrokkene niet duurzaam is en wijst IVA-uitkering af
Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2025:1854 en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2025:1336.
- ECLI-nummer
- ECLI:NL:CRVB:2025:1853Lees de uitspraak
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Uitspraakdatum
- 3 september 2025
Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?
Betrokkene ontvangt sinds 2009 een WGA-uitkering en is vanaf 1 augustus 2018 voor 100% arbeidsongeschikt. Op 13 mei 2020 meldt zij bij het Uwv dat haar gezondheid is verslechterd, onder meer door een bijgestelde diagnose SLE en verergerde PTSS- en depressieklachten. Zij verzoekt om een IVA-uitkering op grond van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Het Uwv weigert dit en zet de WGA-uitkering voort. De rechtbank vernietigt dat besluit wegens een motiveringsgebrek, maar het Uwv stelt hoger beroep in. De Centrale Raad van Beroep laat de aangevallen uitspraak alsnog sneuvelen.
De Raad stelt vast dat de te beoordelen periode in geding loopt van 1 november 2018 tot en met 13 mei 2020. De datum 1 november 2018 is de datum waarop de diagnose SLE is vastgesteld; de datum 13 mei 2020 is de dag van de melding. De rechtbank had ten onrechte alleen 13 mei 2020 als datum in geding gehanteerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de duurzaamheid over de gehele periode al beoordeeld, zodat van een motiveringsgebrek op dat punt geen sprake was.
De Raad oordeelt voorts dat de rechtbank niet bevoegd was de verzekeringsarts bezwaar en beroep op te dragen het beoordelingskader "Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen" stapsgewijs voor te leggen aan de behandelend reumatoloog. De toepassing van dat kader behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de verzekeringsarts. Het is aan de verzekeringsarts, niet aan de behandelend specialist, om de vertaalslag te maken van feitelijke medische bevindingen naar toekomstige functionele mogelijkheden in arbeid.
Inhoudelijk concludeert de Raad op basis van het aanvullende rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 april 2024 dat er in de beoordelingsperiode nog behandelmogelijkheden bestonden die tot verbetering van de belastbaarheid konden leiden. Voor de psychische klachten was een klinische opname gepland bij Trauma Centrum Nederland waarvan verbetering binnen een jaar verwacht werd. Voor de SLE-klachten waren zowel medicamenteuze als niet-medicamenteuze behandelopties beschikbaar. De combinatie van beide verbeteringen zou ook een positief effect hebben op de urenbeperking. Betrokkene heeft geen medische stukken ingebracht die aan deze conclusies doen twijfelen.
Omdat de afdoende motivering pas in beroep is gegeven, passeert de Raad het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb: een besluit met gelijke uitkomst zou ook zonder het gebrek zijn genomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Wegens overschrijding van de redelijke termijn met ruim zes maanden wordt de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van 1.000 euro.


