Naar inhoud

Centrale Raad van Beroep

WGA-uitkering eindigt van rechtswege na een jaar meer dan 65% maatmaninkomen verdienen, zonder arbeidskundige herbeoordeling

Omzetting WIA-uitkering naar WGA-vervolguitkering. Bevestiging uitspraak in hoger beroep. De Raad volgt de rechtbank in zijn oordeel dat het Uwv op grond van artikel 56, derde lid, van de Wet WIA moet

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:973
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
16 juli 2026

De kern van de uitspraak

Appellant ontving een WGA-loonaanvullingsuitkering na een ziekmelding in 2017. In de periode van maart 2021 tot en met april 2022 werkte hij achtereenvolgens als senior medewerker backoffice/finance en als financieel directeur, en verdiende hij in die gehele periode meer dan 65% van het maatmaninkomen. Het Uwv zette de loonaanvullingsuitkering per 1 mei 2022 om in een WGA-vervolguitkering en kende vervolgens, na gegrond bezwaar van de werkgever (betrokkene), een WGA-loonaanvullingsuitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80,58%, daarbij oordelend dat de verrichte arbeid niet passend was. De werkgever stelde dat de uitkering op grond van artikel 56, derde lid, Wet WIA had moeten worden beëindigd.

De rechtbank vernietigde het besluit en oordeelde dat de enkele feitelijke vaststelling dat een jaar lang meer dan 65% van het maatmaninkomen is verdiend tot beëindiging leidt, zonder dat een arbeidskundige beoordeling van de passendheid vereist is. Zowel het Uwv als appellant gingen in hoger beroep.

De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak. De Raad houdt vast aan vaste rechtspraak: de enige voorwaarde voor beëindiging op grond van artikel 56, derde lid, Wet WIA is of de betrokkene met arbeid meer verdient dan 65% van het maatmaninkomen. De toepasselijkheid volgt geheel uit de feitelijke omstandigheden; voor een theoretische dan wel praktische schatting is geen ruimte. Een arbeidskundige beoordeling van de passendheid van de arbeid heeft geen wettelijke basis in dit artikel.

Het Uwv wordt niet gevolgd in zijn lezing dat artikel 56, derde lid, alleen een uitlooptermijn betreft en dat via de artikelen 5 en 6 Wet WIA alsnog beoordeeld moet worden of de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Ook de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 mei 2016 biedt geen steun voor de door het Uwv voorgestane beoordeling.

Appellant wordt evenmin gevolgd in zijn stelling dat de uitkering niet beëindigd kan worden omdat zij op grond van de amber-bepaling (artikel 57 Wet WIA) zou herleven per 1 februari 2022: herleving vereist een eerdere beëindiging, en die heeft niet plaatsgevonden.

Het Uwv moet met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar nemen, ervan uitgaande dat in de periode van 1 maart 2021 tot en met 30 april 2022 is voldaan aan de toepassingsvoorwaarde van artikel 56, derde lid, Wet WIA. Tevens wordt het Uwv een griffierecht opgelegd van € 559,00.

Arbeidsdeskundigloket