Centrale Raad van Beroep
Maatregel 100% bijstandsverlaging wegens weigering algemeen geaccepteerde arbeid blijft in stand
Verlaging van bijstand. Maatregel. Niet nakomen verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Vaststaat dat de werkgever een concreet baanaanbod heeft gedaan en dat X dat aanbod niet he
- ECLI-nummer
- ECLI:NL:CRVB:2026:956
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Uitspraakdatum
- 14 juli 2026
De kern van de uitspraak
Het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee legde een maatregel op aan appellant en zijn partner X, omdat X een concreet baanaanbod bij een werkgever als reparateur van mobiele telefoons en smartwatches weigerde. X vond het aangeboden minimumloon niet passend bij haar kennis, ervaring en opleiding. Het college verlaagde de bijstand met ingang van 1 september 2023 gedurende twee maanden met 100%. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt die uitspraak.
Over de vraag of sprake was van algemeen geaccepteerde arbeid oordeelt de Raad dat reguliere arbeid tegen het minimumloon per definitie algemeen geaccepteerde arbeid is. Aan het beloningsniveau kunnen geen eisen worden gesteld. De stelling dat collega's meer verdienden voor hetzelfde werk doet daar niet aan af, omdat de memorie van toelichting bij de Participatiewet uitdrukkelijk bepaalt dat er geen eisen gesteld kunnen worden aan de aansluiting van de arbeid aan het opleidingsniveau, eerder opgedane werkervaring en beloningsniveau.
Over de verwijtbaarheid oordeelt de Raad dat appellant de bewijslast draagt om aannemelijk te maken dat X geen enkel verwijt treft, omdat artikel 18, negende lid, PW een uitzonderingsbepaling is. Die bewijslast wordt niet waargemaakt. Het enkele feit dat X vond dat zij meer loon moest krijgen dan het minimumloon leverde geen gerechtvaardigde reden op om het aanbod te weigeren. Het argument over de reistijd van meer dan drie uur per dag faalt eveneens: de overgelegde Google Maps-uitdraaien dateren uit 2024 en 2025, terwijl de arbeidsovereenkomst zou ingaan op 1 juni 2023, en bovendien hield de weigering van X feitelijk geen verband met de reistijd maar met het loonaanbod.
Over de afstemming wegens dringende redenen oordeelt de Raad dat het college beoordelingsvrijheid heeft en dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen dringende redenen bestaan. Het college had spreiding van de maatregel aangeboden, appellant en X hadden geld kunnen lenen voor vaste lasten, en de financiële situatie was verder niet onderbouwd. De echtscheiding is, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk in verband te brengen met de maatregel.


