Naar inhoud

Centrale Raad van Beroep

Raad bevestigt intrekking ZW-, WAZO- en WIA-uitkeringen wegens ontbreken gezagsverhouding en stelt arbeidsongeschiktheidspercentage van 44,09% in stand

Het gaat in deze zaken om de vraag of het Uwv terecht de ZW- en WAZO-uitkeringen van appellante heeft ingetrokken en de WIA-uitkering heeft herzien en de…

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:749Lees de uitspraak
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
18 juni 2026

Wat besliste de Centrale Raad van Beroep?

Appellante ontving ZW-, WAZO- en WIA-uitkeringen op grond van veronderstelde dienstbetrekkingen met twee stichtingen. Na een handhavingsonderzoek concludeerde het Uwv dat geen sprake was van een gezagsverhouding en dus ook niet van verplichte verzekering. De uitkeringen werden met terugwerkende kracht ingetrokken en een bedrag van ruim 105.000 euro werd teruggevorderd. Naast de verzekeringsrechtelijke kwestie was in geding of het arbeidsongeschiktheidspercentage per 31 juli 2022 terecht op 44,09% was vastgesteld.

Over de rechtmatigheid van het onderzoek oordeelt de Raad dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor een ongeoorloofde aanleiding. Het Uwv mocht bankafschriften vorderen op grond van zijn wettelijke bevoegdheden en de loonstroken werden spontaan door de boekhouder verstrekt. Onrechtmatig verkregen bewijs mag bovendien alleen worden geweigerd als het is verkregen op een manier die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is; appellante heeft dat niet aannemelijk gemaakt.

Ten aanzien van Stichting 1 stelt de Raad vast dat appellante lid was van de Raad van Toezicht (RvT) en dat de statuten bepalen dat de RvT de werkgeversrol vervult voor het bestuur, niet omgekeerd. Daarmee ontbrak een gezagsverhouding ten opzichte van het bestuur van Stichting 1. Ten aanzien van Stichting 2 wijst de Raad op de nauwe persoonlijke band tussen appellante en de enige bestuurder, de retroactieve aanmelding in de polisadministratie, en de meer dan verdubbeling van het loon in de twee maanden vóór de eerste arbeidsongeschiktheidsdag zonder aannemelijke verklaring. Ook voor Stichting 2 is geen privaatrechtelijke dienstbetrekking aangetoond.

De Raad beoordeelt of een dringende reden aanleiding geeft om van intrekking of terugvordering af te zien. Het Uwv had geen aandeel in het ontstaan van de situatie: het mocht uitgaan van de juistheid van de polisadministratie en heeft na de interne fraudemelding van 1 maart 2021 adequaat en voortvarend gehandeld. Appellante had op basis van de statuten redelijkerwijs kunnen weten dat bij Stichting 1 geen gezagsverhouding bestond. Bij Stichting 2 had de inhoud van de arbeidsovereenkomst, de persoonlijke band met de bestuurder en de onverklaarbare loonverdubbeling haar tot vragen moeten leiden.

Voor de WIA-beoordeling per 31 juli 2022 onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank volledig. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 7 februari 2023 een gewijzigde FML opgesteld met meer beperkingen dan de primaire verzekeringsarts had aangenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens nieuwe functies geselecteerd en de arbeidsongeschiktheid berekend op 44,09%. Door appellante overgelegde medische stukken uit 2025 dateren van jaren na de datum in geding en leveren geen aanleiding op voor twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid. De hoger beroepen van de Stichtingen worden niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Arbeidsdeskundigloket