Centrale Raad van Beroep
Uwv weigert terecht WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en de FML en functieduiding standhouden
Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn passend voor appellante.
- ECLI-nummer
- ECLI:NL:CRVB:2026:971
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Uitspraakdatum
- 16 juli 2026
De kern van de uitspraak
Appellante werkte als verzorgende IG voor 31,95 uur per week en meldde zich op 10 april 2021 ziek na een auto-ongeluk met fysieke en mentale klachten. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek stelde het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 11,68% en weigerde een WIA-uitkering. In bezwaar nam de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullende beperkingen aan in een nieuwe FML, waarna de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functieselectie aanpaste en de arbeidsongeschiktheid herberekende op 23,91%. Het Uwv handhaafde de weigering.
Appellante stelde in hoger beroep volledig arbeidsongeschikt te zijn. Zij betoogde dat het primaire onderzoek onzorgvuldig was omdat het twee maanden voor de datum in geding had plaatsgevonden, dat sprake was van ernstige psychische problematiek en forse slaap- en pijnklachten die aanleiding geven voor een urenbeperking, en dat zij de geselecteerde functies niet kon vervullen.
De Raad verwierp dit standpunt. Ten aanzien van de medische beoordeling oordeelde de Raad dat het medisch onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van het medische oordeel. Over de psychische klachten overwoog de Raad dat de GZ-psycholoog bij afsluiting van de behandeling in mei 2022 had geconcludeerd dat er geen diagnose meer van toepassing is en dat de behandeling met goed gevolg is afgesloten. Sindsdien was appellante niet meer onder behandeling voor psychische klachten. De verzekeringsartsen constateerden tijdens spreekuur en hoorzitting geen ernstige psychische problematiek; met stemmingsklachten werd rekening gehouden in de FML. Appellante bracht geen nieuwe medische gegevens in die twijfel deden rijzen aan de beoordeling. De Raad zag daarom geen aanleiding een deskundige te benoemen.
Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling oordeelde de Raad dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn, en dat de aangevoerde gronden geen aanleiding geven voor het oordeel dat de functies in medisch opzicht niet geschikt zijn. Het hoger beroep slaagt niet en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.