Naar inhoud

Centrale Raad van Beroep

Uwv stelt arbeidsongeschiktheid van appellante terecht vast op 54,78% ondanks bezwaar tegen het ontbreken van spreekuurcontact in bezwaarfase

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 54,78%. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Juiste FML. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht passend voor appellante.

ECLI-nummer
ECLI:NL:CRVB:2026:926
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
8 juli 2026

De kern van de uitspraak

Appellante meldde zich op 21 januari 2022 ziek met spanningsklachten. Zij werkte tot dan als medewerker studentenzaken voor 28,74 uur per week. Na een WIA-aanvraag stelde de verzekeringsarts beperkingen vast in een FML. Uiteindelijk stelde het Uwv bij het bestreden besluit van 24 juli 2024 de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 54,78% per 19 januari 2024, op basis van een gewijzigde FML van 16 juli 2024 en rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Appellante ontving een loongerelateerde WGA-uitkering.

Appellante betwistte de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Zij stelde dat haar beperkingen waren onderschat, dat ten onrechte geen spreekuur had plaatsgevonden in de bezwaarfase ondanks haar uitdrukkelijke verzoek, en dat de geduide functies haar belastbaarheid overschrijden. Ook voerde zij aan dat de standaard 'Onderzoeksmethoden bij psychische stoornissen' van het Landelijk instituut sociale verzekeringen altijd een spreekuur voorschrijft.

De Raad oordeelt dat het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Er geldt geen algemene verplichting dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een betrokkene op een spreekuur ziet, wanneer die betrokkene in de primaire fase al door een verzekeringsarts is onderzocht. De genoemde standaard wordt aangemerkt als hulpmiddel, niet als dwingende norm: de verzekeringsarts kan een zelfstandige afweging maken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deugdelijk gemotiveerd waarom afzien van een spreekuur in dit geval gerechtvaardigd was, mede gelet op het aanwezige dossier en de informatie uit de behandelend sector.

Ten aanzien van de medische beoordeling oordeelt de Raad dat de in hoger beroep overgelegde stukken, waaronder informatie van GGZ inGeest en een overzicht van SGGZ, geen nieuwe medische feiten bevatten ten opzichte van wat in bezwaar al bekend was. De diagnosen ASS en dwangmatige persoonlijkheidsstoornis waren al onderkend. Bij gebrek aan twijfel over de medische beoordeling bestaat geen aanleiding een onafhankelijk deskundige te benoemen. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en laat de vastgestelde arbeidsongeschiktheid van 54,78% in stand.

Arbeidsdeskundigloket